Boelie , Herinneringen van een dorpskastelein in Zeddam (Moppen en Bier tappen)

 



Dit boekje is een uitgave uit 1997 


Je zult maar argeloos een café binnengaan voor een kopje koffie en de kastelein gooit, na de vraag: alles erin? suiker, melkkannetje en koekje pardoes in de koffie. Of je bestelt argeloos een pilsje en de kastelein vraagt, een teug van het getapte pilsje nemend, of je zelf niets drinkt. Zoiets kon je overkomen bij Wim Kleinpenning (1930), in Zeddam bekend als Boelie. Hij is een typische dorpskastelein. Met zijn bourgondisch uiterlijk en zijn geheel eigen humor weet hij de goede kanten van het leven te waarderen. Zijn humor, vaak doodnuchter in daden omgezet, heeft maar één doel: lachen. Want lachen is Boelie’s grootste hobby. Maar dan wel samen met de gefopte en zoveel mogelijk anderen. Want de grap mag nooit ten koste van de vriendschap gaan. Als hij terugkijkt op allerlei gebeurtenissen in zijn lange loopbaan als dorpskastelein, klinkt het vaak: „Wat hebben we toen toch heerlijk gelachen.”

Zijn bijnaam nam Boelie over van een neef, omdat hij dezelfde kunsten had. Zijn vrouw Mimi had aanvankelijk bedenkingen tegen deze geuzennaam, maar toen vanuit het café een voetbalclub werd opgericht onder de naam Boelie Boys kon ze ermee leven. De zaak kreeg al gauw de naam Boeliebar. Overbekend zijn Boelie’s optreden voor eigen publiek als ‘Dorus’ of Johnnie Jordaan. Iemand bood hem eens vijf gulden voor een heroptreden als Johnnie Jordaan, maar een ander bood tien gulden als hij de mond zou houden. Wim hield eerst een half uur de mond, beurde het tientje en barstte voor de vijf gulden nog eens los…

Boelie als Doris

Laat u vooral niet beduvelen als Wim achter het orgel gaat zitten. Zijn vingers glijden zo soepel over het toetsenbord, maar wat u hoort is een cassettebandje. Op gezellige avonden mag Boelie graag vertellen uit zijn ruim dertig-jarige loopbaan als bier- en moppentapper. Mensen zeiden hem al vaak: waarom zet je het niet op papier? Dat heeft hij nu dus gedaan.

In dit boekje vol herinneringen uit het café wordt Boelie aan u voorgesteld als kampioen bier én moppen tappen. Maar ook als een verteller van de oude soort, van wie elk verhaal ‘héél’ misschien waar gebeurd' is. Meestal blijft het gissen. Boelie heeft de gave van de nonsens. Een mop ooit al gehoord? Geen probleem, want als Boelie hem vertelt is ie weer als nieuw...

Luister dus naar de verhalen van Boelie.


DE KASTELEIN

Het valt niet altijd mee om als kastelein gezellig te blijven.

Het was druk in de zaak. Daar kwamen nog twee knapen binnen, gingen aan de bar zitten en bestelden twee pilsjes. Ze vroegen: je zult 's avonds wel moe zijn. Ik dacht: dat staat natuurlijk in verband met de drukte. Ik zei: hoezo? Nou, zeiden ze, als je de hele dag met zo'n grote kop moet rondlopen. Dat had ik niet verwacht. Maar ik antwoordde: dat gelul van jullie dat gaat 't ene oor in en 't andere oor uit. Waarop een van de knapen zegt: Wat 'n wonder, daar tussenin zit ook niks. Dat wist ik, anders had ik ook wel 'n vak geleerd. Mien vader zei altijd wel: Wim als je er dom uitziet dan hoef je nog niet dom te wezen.

Daar kun je het dan weer 'n tijdje mee doen.

NAAR DE WC

We kregen bezoek van twee heren, de ene was Bernard Engelbarts, alom bekend, met 'n collega van school. Na in 't café gebiljart te hebben moest de collega naar de wc en vroeg: hebben jullie ook 'n wc? Ik dacht dat hij net zo'n grappenmaker was als Bernard, want wie vraagt er nou in de kroeg: hebben jullie ook 'n wc? Ik zei: we zijn aan het veranderen, dan komt er ook 'n nieuwe wc, maar ik heb het met de buren voor elkaar gekregen, zolang we 't hier nog niet klaar hebben kunnen de gasten daar gebruik maken van de wc. Daar bij die groene deur moet je naar binnen. Hij stapte het café uit, liep de weg over en naar de groene deur. Maar de cafébezoekers liepen allemaal naar de ramen om te kijken hoe dat afliep. Bijna bij de deur gekomen keek hij plotseling om en zag ze allemaal voor het raam staan lachen. Dat zette bij hem kwaad bloed, dus keerde hij vlug terug naar het café. Ik denk: nou ben ik aan de beurt. Maar dat liep goed af. Bernard schold hij bijna stijf en waarom dat hij niks gezegd had. Maar Bernard zei: voor die keer dat ik over jou kan lachen laat ik die kans niet voorbij gaan. De ruzie werd alweer gauw bijgelegd. Hij is nog vaak bij ons geweest, maar heeft nooit meer gevraagd: hebben jullie ook een wc?

LEKKER BAKKIE KOFFIE

'n Vertegenwoordiger, waarschijnlijk van 'n krant, bestelt 'n kopje koffie. Ik vraag: alles er bij in? Ja, dat is goed. Ik doe 't melkkannetje, suikerzakje en 't koekje in 't kopje bij de koffie, ik zet 't kopje met 'alles er in' voor 'm neer.Hij kijkt, begint te roeren en roept meteen: “Wat heb je daarvan gemaakt?!” Er kwam nog een woord achteraan, maar dat zal ik maar niet noemen. “Meneer,” zeg ik, “ik heb het toch gevraagd: alles erbij in?” “Ja, maar zó toch niet!” zegt meneer. “Ik betaal ook niet, haal de politie er maar bij.” Er werd natuurlijk heerlijk gelachen in de kroeg. Ik heb maar gauw een ander kopje koffie gebracht. Hij is nog vaak bij ons komen koffie drinken. Dan bestelde hij ook koffie, maar hij zei altijd: “Alles apart!” We hebben er samen nog vaak om gelachen.


Sfeer in café de Waag

BAL GEHAKT

Er komt 'n kerel op het terras zitten. Ik zou graag 'n koffie en 'n bal gehakt. De bal gehakt komt, hij kijkt: ik vind hem wel een beetje klein. Hij kijkt, begint te roeren en roept direct: wat heb je daarvan gemaakt! Er kwam nog een woord achtera an, maar dat zal ik maar niet noemen. Meneer, ik heb het toch gevraagd: alles er bij in? Ja, maar zó toch niet! zegt meneer, en ik betaal ook niet, haal de politie er maar bij. Er werd natuurlijk heerlijk gelachen in de kroeg. Ik heb maar gauw 'n ander kopje koffie gebracht. Hij is nog vaak bij ons komen koffie drinken en bestelde dan ook koffie, maar hij zei dan: alles apart! We hebben er samen nog vaak om gelachen.

WORST BAKKEN

Al wekenlang kwam een man bij slager Van Bergen verse worst halen voor zijn kostvrouw, waar hij al drie jaar in de kost was. Daar hij bijna iedere dag na zijn werk in de bouw bij ons kwam, wisten onze vaste klanten al gauw wat hij deed, wat hij dronk en graag at. Op die avond zaten er aan de bar 'n man of zes, die spelletjes aan 't doen waren. Verder hadden ze al afgesproken: wanneer de bouwvakker kwam, werd er over 'n hapje eten gepraat. Ik zeg: dat is gezichtsbedrog, dat komt doordat het terras zo groot is. De man: zal ik je nog eens wat anders vertellen, hij smaakt ook niet. Nou, dan heb je nog geluk. Hoe dan? Dat ie niet zo groot is. Mij werd gevraagd of ik het spelletje mee wou spelen. Een van ons zou de worst uit de fietstas halen en ik zou deze bakken. Toen ze over 'n hapje eten begonnen was hij de eerste die meedeed. Ieder van ons betaalde 'n knaak, hij ook, maar hij wist niet dat het zijn eigen worst was. Er werd heerlijk gedronken en gegeten, maar vooral gelachen. Het was 'n heerlijke avond. Ik stelde dezelfde avond wel voor om de vriendschap gauw te herstellen, wat ook gebeurd is. We zijn het met z'n allen de kostvrouw gaan vertellen.

BIERTAPWEDSTRIJD

De eerste biertapwedstrijd, bij café Wildenbeest in Doetinchem, zat vol problemen. Dat was eind jaren vijftig of begin jaren zestig. De bierwagen was te laat. Dat was niet erg, maar de koeling bij de mobiele tap was met ijsblokken, dus was het bier helemaal niet op temperatuur. Het lauwe bier was niet te tappen. Alle deelnemers mochten dan ook proeftappen, maar daar kwam niet één fatsoenlijk pilsje uit. De voortapper, die de prijs moest bepalen, liet zich helemaal niet zien.

Boelie als biertapper



Na 'n half uur kwam hij te voorschijn en vroeg mij: tap mien is 'n lekker pilsje zoals dat hoort. Hij had allang gezien dat dat onmogelijk was. Ik tapte 'n glas, allemaal schuim met onderin 'n klein laagje bier. Ik zei alsjeblieft. Is dat bier tappen? Ik zei: twee vingers. Maar niet zo: ik hield de vingers naar beneden. Hij zei: plat die vingers, en dan normale vingers. Hij meende dat ik de vingers te dik had.

Collega Piet Pennards van 't Tolhuis nam het direct voor me op en zei tegen de voortapper: tap jij dan is 'n goed glas bier. Maar dat lukte natuurlijk ook niet. Hij lachte en zei: alle deelnemers krijgen een prijs vandaag. Met al m'n collega's hebben we wel 'n heel gezellige middag gehad. Pas toen we weggingen werd het eerste goede pilsje getapt. We hebben nog jaren meegedaan en zaten elk jaar in de prijzen. Maar dat eerste jaar hebben we nooit vergeten.

NAAR DE HORECABEURS

Wim Walraven is mijn grote vriend, 'n geweldige kerel (tussen twee haakjes). We waren samen met onze vrouwen naar de Horecabeurs in Amsterdam geweest. We gingen samen nog even de stad bezichtigen en liepen in de warme buurt. De dames voorop en wij er achteraan. Achter 't raam zat 'n heel mooie dame. Walraven bleef 'n beetje te lang voor 't raam staan kijken. Toen riep zijn vrouw Dien: schiet nou 'n beetje op. Wim zei: mag ik 'n beetje langer kijken? Ik heb ook maar één oog. (Hij had inderdaad een glazen oog). Even verderop stond 'n dame onder aan de deur en zei: meneer komt u even mee naar boven, het is boven zo gezellig. Ik geloof er niks van, zei ik. Als het boven zo gezellig is, waarom sta je dan onder aan de deur?

DE HENGELAAR

We gingen naar de Horecavergadering, die elk jaar werd gehouden in 't Hotel 't Apeldoorns Kanaalzicht. Samen met vriend Walraven maakten we er 'n uitstapje van en bleven we 'n nachtje in 't hotel slapen.  De vergadering verliep normaal, zoals anders, waar ook alle moeilijkheden van de horeca werden besproken. Na de vergadering werd er 'n lunch aangeboden op kosten van Horeca Nederland. Daarna gingen we heerlijk aan de bar zitten, waar een gezellige barkeeper de glazen vol schonk. Na menig uurtje aan de bar gezeten te hebben en nadat menige mop was verteld -want daar kon m'n vriend wat van, zeker zo goed als ik-, begon Walraven over vissen. Mijn vriend heeft de eigenschap: als hij genoeg gedronken heeft wil hij gaan vissen.

Hij had ook alles in de wagen wat hij voor 't vissen nodig had. Maar geen van m'n collega's was bereid op hem te passen, dus we zochten 'n oplossing. We zetten hem in 'n gemakkelijke stoel vlak aan de weg die behoorlijk nat geregend was, en daar hij maar een oog heeft meende hij dat hij aan 't kanaal zat. We dachten allemaal: nou kan er niks gebeuren. Maar er gebeurde wel wat, want van de andere kant kwam een grote wagen die precies het dobbertje in zicht kreeg en schrok want hij dacht: ik rij zo in 't Apeldoorns Kanaal. Hij trok aan het stuur en plons, reed zo het Apeldoorns Kanaal in. De ambulancewagen was snel ter plekke. Daarna zijn we met z'n allen weer snel naar binnen gegaan en hebben we er een gezellige avond van gemaakt.

ONMISBAAR

Onze vriend Wim Walraven vertelde bij ons aan de stamtafel dat hij vroeger bij de Philips gewerkt had en dat klopte ook wel. Hij had daar een baantje als chef en moest overal voor zorgen. Hij was onmisbaar. Na drie jaar wilde Wim wel eens wat anders en ging bij de Beccon werken. Maar na een half jaar verlangde hij toch weer terug naar de oude baas, de Philips. Daar wou hij zich melden bij de personeelschef. Maar tot zijn verbazing zei de chef: Ben jij dan weg geweest? Ze hadden hem al die tijd niet gemist...

Vriend Walraven



SPORT

Boelie 18 jaar



Ook in de sportwereld was Boelie geen onbekende. Bij 'n voetbalwedstrijd gebeurde het vaak dat er een overtreding plaatsvond. Ook deze wedstrijd gebeurde dat. De scheidsrechter die dat zag floot direct, riep me bij zich en zei: trek jij je jasje maar aan en wees met de vinger naar het kleedlokaaltje. Ik naar 't kleedlokaal, trok de jas aan, en kwam terug in 't veld. De scheidsrechter keek zo verbaasd en zei: wat is dat?Ik zei: meneer u zei toch: trek jij je jasje maar aan. Ik heb gedaan wat u gezegd heeft. Hij begon bijna te stotteren en zei: na de wedstrijd moet ik jou nog even spreken.

Goed meneer.

Ik heb de hele wedstrijd met de jas aan gespeeld. Na de wedstrijd kwam hij naar me toe en zei: dat is me nog nooit gebeurd. We hebben nog wel 'n uur aan de bar gezeten. Dat was in Zeddam natuurlijk 't gesprek van de dag. Ook in de judowereld viel ik op en der af. Ik was de snelste van de club, was nog sneller dan de leraar. Ik lag nog eerder aan de grond dan hij. Snel hè?

ZIEKEN-BROEDER

Toen ik achttien jaar werd had ik al drie jaar in de bakkerij in Braamt gewerkt voor vijf gulden in de week. Toen kwam de kwestie dat de Hollandse jongens naar Indië moesten, maar als je werkzaam was in de kolenmijnen kreeg je vrijstelling van militaire dienst en hoefde je dus niet naar Indië, want daar was ook niks te verdienen. Dus ging ik naar Limburg, naar de Staatsmijn Emma in het plaatsje Hoensbroek. Daar heb ik vier jaar ondergronds gewerkt. We werden ondergebracht in een groot gezellenhuis waar we 'n goed pension hadden. Jan Rap en z'n maat zat daar. Er was daar elke dag trammelant, maar ook gezelligheid. Ik kreeg onderin 'n ongelukje en kwam op 'n ziekenzaaltje terecht. Toen ik 'n paar weken op dat ziekenzaaltje lag, mocht ik de  hoofdverpleger 'n handje helpen. Want kwam er 'n nieuw patiënt, dan werd hij in bed gestopt, werd de naam genoteerd en werd hij getemperatuurd, wat ik dan deze keer mocht doen. Maar ik kon het geintje niet laten. Er was iemand jarig geweest en er stond een vaas met rozen op 'n kastje. Ik maakte het steeltje van de roos schoon en stak die op de plaats van de thermometer en sloeg de dekens weer over hem heen. De verpleger had hier niks van gezien. De dokter kwam twee keer per dag, om elf uur en om twee uur. Die kon dus elk ogenblik komen, en jawel daar kwam de dokter. Hij sloeg de dekens op en verkleurde helemaal. Hij haalde de verpleger erbij. Wat is dat? Dat kan alleen Boelie gedaan hebben, zei de verpleger. Ik zei meteen: hier staat de dader. De rest vond het allemaal wel leuk, maar ik moest me wel melden, dezelfde avond bij de dokter aan huis.


Boelie als plm. twintigjarige

Bij de dokter aangekomen hoorde ik van z’n vrouw dat de dokter jarig was. Ik moest binnen komen om het hele verhaal aan de gasten te vertellen. Ben eerst naar ’n bloemenwinkel gegaan en kwam met ’n bos rozen naar binnen. Het werd ’n late avond. Ik krijg nu elke kerst nog ’n kaartje van die man. Maar m’n baantje als verpleger heb ik nooit gekregen. Snap je dat nou?

PLEISTERS PLAKKEN

’t Zal ieder wel is ’n keer gebeurd zijn, als je met ’n goeie borrel op ’n beetje moeilijk in huis kunt komen. Deze beste man was dan met vallen en opstaan eindelijk thuis gekomen. Kop kapot, arm en knie helemaal onder bloed, naar de EHBO-kast en dan maar pleisteren, dan houdt ’t bloeden misschien op. Hij keek daarbij in de spiegel en zag allemaal bloed.

Hij veegde met de handdoek het bloed ’n beetje weg en dan maar voor de spiegel de pleisters te plakken, maar dat is ’n kunst apart. Toen hij ’s morgens wakker werd dat ’t hele bed vol bloed. Hij keek rond en naar de spiegel. Die zat helemaal vol pleisters in plaats van op de wonden. Zoiets kan je alleen maar gebeuren met ’n borrel op.

BLAASKAPELLENFEEST

In Vinkwijk, waar elk jaar een blaaskapellen-festival is, liepen we samen naar de feesttent. Voor mij liep ’n heer die telkens de hoed afnam. Meneer, waarom neemt u telkens de hoed af? Nou ik had jeuk op ’t hoofd. Vindt u dat nodig? Als ik jeuk aan de kont heb trek ik de broek toch ook niet uit? M’n vrouw had me al eens vaker gezegd: „Als je naar 'n feest bent geweest, vouv dan je kleren op en hang ze dan over de stoel. Ook deze avond van 't blaasfeest. Toen ik 's morgens wakker werd, had ik deze keer alles netjes opgeruimd. Alle kleren lagen netjes op bed en zelf hing ik over de stoel. Schijnbaar had ik toch genoeg gedronken, maar ik doe 't in het vervolg wel anders, want ik heb de hele dag last van m'n maag gehad. Je ziet wel weer: de bedoeling was goed maar 't liep weer verkeerd.

Pijpje blazen met The Six Stars uit Stokkum, 1967



PIJPJE BLAZEN

Berentsen, genaamd de Witte Toon, was m'n schoonvader. Hij kwam bij de reservepolitie en kreeg samen met z'n collega Ten Brink drank- controle op de Schapenweg.Na 'n uur op de Schapenweg gelopen te hebben zei m'n schoonvader tegen z'n collega: weet je wie vandaag jarig is? Onze Mimus.

Van de kroeg? vroeg Ten Brink. Ja, zei m'n schoonvader. Samen gingen ze naar de kroeg, naar Mimus, waar al 'n borreltje klaar stond. Na ettelijke borreltjes zei m'n schoonvader tegen Ten Brink: we hebben ja drankcontrole. Ja, en wij houden nou alles aan, afgesproken? Daar komt 'n wagen aan. Halt, politie, papieren. M'n schoonvader zei: je hebt ook gedronken. Jij ook, zei de chauffeur. Blazen in 't pijpje. Ik blaas niet. Wat nou, zei Ten Brink, nou kan de bekeuring niet doorgaan. Wacht maar, zei m'n schoonvader, als je binnen de twee minuten niet hebt geblazen, dan blaas ik voor je, dan krijg je je rijbewijs nooit meer terug.

DE BOULEVARD

Inmiddels werd m'n schoonvader naar de stad gestuurd, waar hij volgens de nieuwe commandant meer bekeuringen moest maken. Samen met zijn collega hadden ze al dagen gelopen zonder een bekeuring te maken. Plotseling zag z'n collega 'n dronken man in de goot liggen. Daar ligt onze kans voor 'n bekeuring. Hallo, schudden, geen woord. Misschien heeft hij 'n pas bij zich en ja. Schrijf even op, zei m'n schoonvader. Gerrit-Jan, geboren te Hengelo 17-12-1925, in staat van dronkenschap. Gevonden in de goot aan de rand van de boulevard. Collega wacht even, hoe schrijf je boulevard? Jammer, dan kan de bekeuring niet doorgaan. Die moet doorgaan, zei m'n schoonvader. Ik weet al 'n oplossing. Wat dan? Wij trekken hem de Schoolstraat in.

BUURMAN OP STAP

Onze buurman Jan ging regelmatig op donderdag naar de markt maar kon niet nalaten om enkele dranklokaaltjes te bezoeken met 't gevolg dat hij 't verkeer 'n beetje in gevaar bracht. De toevallig passerende politiewagen vond het dan ook beter om hem mee te nemen naar een veilige plaats op bureau om zijn roes uit te slapen. Eenmaal weer bij z'n positieven gekomen keek hij in het rond en vroeg: in wat voor 'n restaurant ben ik nou dan weer beland? De dienstdoende politie vertelde Jan al gauw waar hij was en dat ze hem zo gauw mogelijk naar huis wilden brengen. Maar daar voelde Jan niks voor, om met de politiewagen thuisgebracht te worden. Hij zei: bel Boelie maar op, die haalt me wel op. De politieman had wel in de gaten dat Jan niet in de politiewagen stapte, dus hij belde Boelie op. Ja, met de politie in 's-Heerenberg, spreek ik met Boelie? Uw buurman wil graag even opgehaald worden. Ik zeg: ik kom over 'n paar dagen in 's-Heerenberg, dan neem ik hem wel mee. Maar de politie zei: je moet hem nu ophalen en niet over 'n paar dagen. Ik zeg: ik kom eraan. Dat werd Jan verteld maar die zei: hoe kan dat want Boelie heeft geen rijbewijs meer, die heeft hij laten verlopen. Met 't ophalen van Jan vroeg de politie niet naar het rijbewijs, want anders was Jan er uit en Boelie erin. Zo'n buurman moet je zuinig op zijn, dat snap je wel

DONOR

M'n buurman heeft narigheid. Die heeft zich opgegeven als donor, maar heeft niet goed laten beschrijven dat na zijn dood zijn ledematen beschikbaar zijn. Nou wordt hij telkens opgeroepen, dan voor dit, dan voor dat. Kort geleden was iemand 'n oor kwijt. Ze hebben die bij hem er af gehaald en zo loopt hij zonder oor rond. Vorige week werd hij opgeroepen dat hij zich moest melden. Er was namelijk een echtelijke ruzie ontstaan, waarbij de vrouw de penis van de man had afgesneden. Maar dat werd de vrouw van de buurman te veel. Hij is bij 'n boer in Friesland ondergedoken. Zo zie je maar dat je alles goed moet laten beschrijven, anders krijg je alleen maar narigheid.

VERMAGERINGSKUUR

We kregen bij ons weer 'n nieuwe dokter. Je bent goed en wel binnen of je staat al op de weegschaal. Je bent niet te dik, maar bent veel te klein. Ik kreeg wel 'n dieetkaart mee naar huis. Mien moeder, die elke morgen koffie kwam drinken, kreeg die dieetkaart in handen en zei: Wim bij dat dieet mag je wel goed bij eten, anders hou je dat dieet niet vol. 't Gewicht werd wel anders, maar niet minder. 't Lukte deze keer weer niet. Ik had 'n idee dat ik van water nog dik werd, want water mocht ik van de dokter helemaal niet hebben vanwege mien hoofd. Hij zei niet dat ik 'n waterhoofd had, maar hij zei: 'n vergroot hoofd. Mien vader zei dat is precies 't zelfde. Zodoende kreeg ik weer 'n ander dieet en was na zes weken twee en 'n halve gram afgevallen  Mien vrouw belde direct de dokter op. Ik moest direct stoppen, met de mededeling: ik moest ‘t niet forceren. 

Boellie Achter het orgel,



DE STOELGANG

Ik kom voor ’n paar weken terug bij dokter Boss. Ik had al ’n paar dagen last van de maag. Na het onderzoek zei hij: kom over ’n tijdje maar is terug met de stoelgang. Ik zei ik heb wel meer stoelen, maar niet in de gang. Nee, zei Boss, ik bedoel met de poep. Zeg dat dan meteen. Na twee weken, ik weer terug. Zat met ’n emmer met poep tussen de knieën in de wachtkamer te wachten en was meteen aan de beurt. Dokter Boss zei: wat is dat? Ik moest toch terugkomen met de poep. Ja, ik bedoelde in een klein potje. Ik zei waarom heb je dat de vorige keer niet gezegd? Ik heb nog drie emmers aan de fiets hangen.

HOESTEN

Deze week was ik weer bij de dokter. Ik was weer verkouden geworden. De nacht daarvoor had ik ook twee keer moeten hoesten: twee minuten voor drie en vijf voor half vier. Ik zei: he’j iets tegen ’t hoesten? Nee zegt Boss, ik heb er niks op tegen, je hoest maar raak. Benny Bles heeft ook ’n middel tegen ’t hoesten, wonderolie. Dat klopt want na twee dagen durf je niet meer te hoesten.

ONDERZOEK

Ik moest naar ’t Slingeland, dat is ’t ziekenhuis in Doetinchem, voor ’n kijkoperatie. Dokter, ik heb het toch niet aan de hersens? Beslist niet, want die heb je niet. Ik wist dat wel, maar ik schrok dat de dokter dat ook wist. Dokter ik ga toch niet dood? Nee Boelie, je bent nog lang niet aan de beurt. Hoezo? Eerst gaan de goeien dood. Van zo’n uitspraak ben je dan ook weer helemaal genezen.

ZIEKENBEZOEK

Eens in de veertien dagen ga ik op ziekenbezoek in ’t ziekenhuis, ditmaal was ik in Doetinchem. ’n Kennis uit Ulft lag daar ook. Je hebt hier ’n goed kosthuis, een flinke dikke kop heb je gekregen. Maar dat heb ik hier niet gekregen, ik ben met de bromfiets tegen een boom aan gereden, vandaar die dikke kop. Er was ’n voetbal over de weg gevlogen en bij hem in de wielen. Wie ligt er aan de overkant? Tonnie van de Woude, die kende ik ook goed, die was ook in Didam bij de judo.Ik stapte naar hem toe, de kop in verband, ik vroeg: hoe gaat 't? Hij lag daar met slangetjes in neus en mond. Hij piepte zo raar. Ik zag dat hij wat wou zeggen en hij kreeg 't erg benauwd. Zal ik de zuster even halen? Nee, zei de man die naast hem lag, je moet met de voeten van de luchtslang af gaan, want anders stikt die kerel. Ik stapte van de luchtslang af en hij knapte zienderogen op. Dat was 't weer, dat mij zoiets gebeuren moest.

IN HET ZIEKENHUIS

Wim Walraven werd opgenomen in het ziekenhuis, voorheen 't Jozef in Doetinchem, maar daar wist ik niets van. Ik moest voor onderzoek ook naar 't ziekenhuis. Ik zat in de wachtkamer te wachten op welke kamer of zaal ik kwam te liggen. Eindelijk kwam de verpleegster: Kleinpenning, je komt niet op de zaal te liggen, maar op 'n kamer. Maar er ligt al iemand. Ik zei: als het maar geen dooie is, dan is dat wel goed. Ik maak de deur open en wie ligt daar? Vriend Walraven. Ik wist helemaal niet dat die daar opgenomen was. Mijn koffers stonden nog in de gang. Toen hij mij zag zei hij direct: God wat vind ik dat fijn dat je mij komt opzoeken. Ik denk: dat spelletje moet ik 'n beetje anders spelen. Ik pak 'n stoel en ga bij zijn bed zitten. Na even gekletst te hebben vroeg ik: wie ligt er in dat andere bed. Hij zei: geen mens. Ik zei: dan kruip ik erin, want op z'n stoel kan ik altijd nog zitten. Dat kun je niet maken, je krijgt de grootste trammelant. Ik de broek naar beneden en kroop in het andere bed. Eindelijk kwam de verpleegster en vertelde dat ik ook voor opname kwam.

HET DIKKE BEEN

De buurvrouw die werkt op het bejaardencentrum in 's-Heerenberg kwam door de bulten na de dienst naar huis fietsen en dat ging prima. Tot het fietspad bij het Tolhuis, daar maakte ze 'n foutje en fietste tegen 'n auto. Een van de gasten, die op het terras zat, kwam te hulp. O kijk eens, de mevrouw heeft 'n heel dik been en riep: bel gauw 'n ziekenwagen. Die was met 'n noodgang in tien minuten ter plaatse. Maar de buurvrouw, die alweer bij kennis was en overeind krabbelde, werd door die gast die er het eerste bij was opmerkzaam op gemaakt dat ze 'n heel dik bovenbeen had. Waarop de buurvrouw antwoordde: dat heb ik altijd al gehad, kijk maar naar 't andere been want dat is net zo dik. De ziekenwagen was dus helemaal voor niets gekomen. De verplegers vonden 't ook mooie dikke benen en konden zonder buurvrouw weer vertrekken.

DE KNAPSTE

Ik heb zo lang op de lagere school gezeten dat ik de eerste schooljongen was in Zeddam die mocht roken. We waren thuis met z'n elven: vier jongens, drie zusjes, opa, oma, pa en ma. Kwam er bezoek, dan kwam het oude verhaal van: dat is Annie m'n oudste zus, dan kwamen m'n andere twee zussen, die vormden een tweeling, dan kwam Theo mien oudste broer, dan kwam Wim. Dan kwam ma met het verhaal van school, dat ik de knapste was van de klas, maar mijn vader had dan de opmerking: dat mag ook wel want hij zit ook al vijf jaar in dezelfde klas. Dat klopte ook wel, maar ik vond dat niet leuk,

die opmerking van m’n vader. Eindelijk had ik de punten om over te gaan naar de volgende klas. Kreeg m’n vader bericht dat ik afgekeurd had. Ik had namelijk dezelfde antwoorden als m’n buurman. Mijn vader was woedend en zei dat de buur- jongen misschien bij Wim afgekeken had. Vader ging direct mee naar school. Meester Helmes had de schriften al klaar liggen, want hij was al op de hoogte dat pa op school kwam. Nou stond er een vraag bij de buurjongen in het schrift met als antwoord: dat weet ik niet. Maar in mijn schrift stond: dat weet ik óók niet.


DE MUUR VAN JERICHO

Zo kregen we op een dag de schoolinspecteur. Die vroeg aan meester Helmes of we goed waren in de Bijbelse geschiedenis en of er wat op tegen was als hij een van de leerlingen een vraag stelde. Nee, antwoordde onze meester. Nou zat namelijk Hendrik Huenders ook bij ons in de klas. De inspecteur begon bij Hendrik met de vraag: wie heeft de muur van Jericho omgegooid? Wat, zei Hendrik, wat is er nou weer gebeurd? Als u maar goed weet dat ik dat niet gedaan heb. Thuis krijg ik ook overal de schuld van. De inspecteur keek de meester aan en zei: is die jongen niet goed? Nou stel ik hem een Bijbelvraag en nou zegt hij dat heb ik niet gedaan. Ach, zei de meester, Hendrik is zo eerlijk als goud. Als die zegt dat hij het niet gedaan heeft, dan is dat zo. De inspecteur keek in het rond en dacht: ik ga naar het hoofd van de school, meester Verbeek. Hij vertelde het hele verhaal van Hendrik. Meester Verbeek zei tegen de inspecteur: waarom geloof je die jongen niet? Laat 't maar onderzoeken. Mocht Hendrik het toch gedaan hebben, dan stuur mij de rekening maar, dan betaal ik die wel.

HET PAK SLAAG

Eindelijk was ik zover dat ik bij meester Verbeek in de klas kwam. Maar die was zeer streng, dat weten alle oudere Zeddammers. Dus ik kreeg al gauw moeilijkheden. Met 'n pak slaag kwam ik thuis en ging direct naar opa, want daar kon ik heel goed mee. Hij hielp me altijd. Opa zei: ik ga wel is even mee naar school en dan moet hij dat is doen als ik er bij ben.Trots als een pauw liep ik naast opa, want die was groot en ijzersterk. Ik zag het al helemaal gebeuren, de Rooie Verbeek met twee blauwe ogen. Opa stapte meteen naar Verbeek toe en zei: Heb je m’n jongen geslagen? Ja, dat heb ik. Opa zei: dat moet je nog is ’n keer wagen als ik er bij ben. Pats, daar had ik er weer een zitten. M’n opa werd spierwit. Ik dacht: nou zal ’t gebeuren. Maar nee, opa deed nog niks. Opa vloog op en schreeuwde: probeer dat nog is. En ja: ik kreeg weer ’n klap. Toen zei m’n opa: Wim wij gaan naar huis want die kerel slaat je kapot.

NAAR DE O.L.O.

Nadat ik ’n tijdje bij Verbeek had gezeten werd ik naar ’n andere school verplaatst. Daar werd ik al gauw de beste van de klas. Nou wil je natuurlijk weten wat voor school, want dat wisten ze thuis ook niet. Dat was de O.I.O. in Didam, Ontiegelijk Lager Onderwijs. Het klopte wel wat mien vader altijd zei: Willem, als ie der dom uitziet hoef je nog niet dom te wezen. Op school zaten ze mien altijd uit te schelden dat ik ’n waterhoofd had. Op ’n gegeven ogenblik vertelde ik dat thuis tegen mien vader. Die zei: dat is helemaal niet zo. Ga maar gauw naar mama, je zou nog even ’n boodschap halen. Mama zei: vergeet dat geschold nou maar en haal in ’t dorp effe vijf kilo aardappels. Ik zei: moet ik nog ’n boodschappen-tas meenemen? Nee, zei m’n vader. Dat hoeft niet. Doe ’t maar in ’t petje… Zo had mien vader wel meer van die gezellige opmerkingen. Als we visite kregen dan zaten de kinderen netjes op zo’n lange rij, zo was dat vroeger: onze Anna, Dora, Wilhelmien, Theo en ik. Dan zei bij ons moeder: „Wim dat is de knapste van de familie. Als-ie pas gewassen is. Ja dat klopt wel, zei vader dan, maar hij droogt zo lelijk op.

WESP

Een jongen komt op school, helemaal overstuur. De meester vraagt: wat is er toch aan de hand? Mijn vader is dood. Wat is er dan gebeurd? Een wesp heeft papa op de kop gestoken. Ja zegt de leraar, maar daar gaat je pa toch niet aan dood. Nee, zegt de jongen, dat klopt, maar de buurman heeft de wesp met de schop doodgeslagen. (In die tijd hadden ze nog geen vliegenmeppers, maar na dit voorval werden deze al gauw uitgevonden).

DE DOODSKIST

Daar mijn vader timmerman was, gebeurde het regelmatig wanneer er iemand dood was, dat mijn vader 'n doodskist moest maken. Dan moest de maat genomen worden. Mijn vader, die erg precies was, had deze keer de verkeerde maat genomen. We hadden de overledene in de kist, maar deze was 30 cm te kort. De knieën omhoog, maar dan kon de deksel er niet op. Ik zei: als we nu is 'n paar gaten onder in de kist zagen en dan de voeten erdoor. Ik heb nog een paar goeie schoenen, die trekken we hem dan aan. Dan komt er natuurlijk veel commentaar, maar dan zeggen we dat was de wens van de overledene, want hij had altijd vreselijke zweetvoeten. Op 't kerkhof aangekomen was 't gat te klein, want de maat had mijn vader ook verkeerd doorgegeven. Dus moesten de voeten teruggeduwd worden, maar dan kwam de deksel weer omhoog. Er werd een van de familie gevraagd om op de kist te gaan staan, om zogenaamd de schoenen aan te nemen. Dan kwam de deksel tenminste niet omhoog. Wanneer er 'n dooie in die familie was moest m'n vader altijd zo'n kist maken, want dat scheelde f 25,- en dat was toen een hoop geld.

MOOIE KIST

Bij 'n gezellige begrafenis hoort ook 'n leuk liedje. Op de melodie van Tom Manders: twee motten. Er ligt 'n dooie in 'n mooie kist 't is maar goed dat hij dat zelf niet wist anders was hij al eerder dood gegaan en was hij zelf op de kist gaan staan. Maar hij wou nog niet kapot omdat 'n Zeddammer toch ook leven mot vind je dat niet mooi, zo'n begrafenis waar 't zo gezellig is dan vind je 't leuk om dood te gaan en boven op de kist te staan.

DE DOOIEGRAVER

In Zeddam kwam 'n nieuwe dooiegraver op 't oude kerkhof. Bij het eerste gat graven kwamen de moeilijkheden al. Hij had 't gat te diep gemaakt en kon er zelf niet meer uit komen. Een van de chauffeurs van Van Ditshuizen hoorde 'n hulpgeroep. Er werd een ladder gehaald en hij werd uit het gat gehesen. De chauffeur werd bedankt, maar met 'n vriendelijk verzoek dit aan geen mens te vertellen. maar die beste chauffeur die ook regelmatig bij ons in de kroeg kwam, moest dit verhaal kwijt. Dat was toch iets voor de buut met de carnaval. Het verhaal werd opgemaakt. Daar de buurman naast 't kerkhof 'n goed glas op had liep hij met 'n zaklantaarn op 't kerkhof en scheen met de zaklamp in 't gat en riep: hee ouwe, hebben ze de kist gepikt? De dooie graver, die ook in de zaal aanwezig was, voelde direct dat dat verhaal voor hem bedoeld was. Vloog overeind en riep: Dat het Boelie verteld, dat is helemaal niet waar. Prachtig toch?

DE BEGRAFENIS VAN DUNK

Oudere Zeddammers hebben hem zeker gekend. Hij was bekend in elke kroeg en had dan ook in z’n testament laten zetten dat, als hij dood was, voordat hij naar de begraafplaats gebracht werd, nog even in al zijn stamcafé’s naar binnen wilde. Hij had voor alle dragers in elk café twee borrels betaald.

Dat had hij van tevoren allemaal geregeld. De bewuste dag kwam en de rondgang begon. H. Renner, Brinks, Nol Lamers, Bieleveld, Leo Kleinpenning en ten slotte De Waag. M’n vader heeft het vaak verteld. Toen de dragers binnen kwamen met de kist waren ze al lekker aangeschoten. Maar een van de dragers, die nog ’t nuchterste was, zei: we zetten de kist onder ’t biljart. Als er dan ’n vreemde vreemde komt lopen we niet in de gaten. Toen ze de twee borrels op hadden moesten ze naar ’t kerkhof, maar in plaats van de kist werd ’t biljart naar ’t kerkhof gebracht. (De biljarts waren vroeger niet zo zwaar). Op ’t kerkhof aangekomen werden ze teruggestuurd door pastoor Meijer want die stond er voor bekend: geen dooie, ook geen begrafenis. De dragers moesten dus weer terug om de kist op te halen. Hoe die dag verlopen is hoef ik jullie niet te vertellen.

BEGRAVEN IN SiBERIË

Mien zwager uit Azem die huurt regelmatig ’n zomerhuisje in Zuid-Siberië. Daar wonen zulke vriendelijke en behulpzame mensen. Hij heeft daar inmiddels ’n begrafenis meegemaakt. Dat is heel anders dan hier. Als daar iemand dood gaat komen de buren bij elkaar. Dan wordt hij buiten neergehangen tot hij goed ingevroren is.Na drie dagen wordt hij voorzichtig aange-punt, daarna slaan ze hem voorzichtig in de grond met de kop boven de grond, zodat de mensen die de begraafplaats komen bezoeken direct kunnen zien waar de overleden persoon begraven staat.

DOL OP KINDEREN

Onze hond was dood. Het hele huis stond op stelten. Daar moest weer zo gauw mogelijk 'n andere hond komen. Er stond namelijk een hond in de krant: Te koop boxer, eet alles, gek op kinderen. In veertien dagen had hij al twee kinderen op.




INGEBROKEN

Bij onze buurman hebben ze ingebroken. Ik snap er niks van want je kunt er wel wat brengen, maar halen, ho maar. Ik zei dan ook zijn vrouw is niet thuis geweest, want anders was dat niet gebeurd. Als die uit bed komt zonder zich opgemaakt te hebben komt er geen bulldog naar binnen. Als ze die in de kersenboom hangen dan brengen de vogels de kersen van twee jaar geleden nog terug.Mien buren hebben nu ook 'n hond genomen. Hij zei: en waaks. Ik zei: hoe dan? Zó: als ik 's nachts wat hoor en ik maak 'm wakker, dan gaat hij vreselijk tekeer. Maar daar heeft hij wat op gevonden. Hij hoeft hem niet meer wakker te maken. Hij legt de hond nu midden in de gang en doet de hondenriem aan de achterdeur en aan de andere kant 'n andere riem. Komt de dief nou de achterdeur binnen, dan trekt hij de hond overeind. Komt de dief door de voordeur binnen, dan gebeurt hetzelf- de. Dus hij hoeft de hond niet meer wakker temaken. Oplossing.

VAKANTIEPRET

Eindelijk was 't zover: op vakantie. Het was midden juli, heerlijk weer. We genoten volop, want het was de eerste keer dat we met m'n broer Hemmy op vakantie gingen. We waren met z'n zessen met onze hond in 'n zomer- huisje op de Veluwe. Ik noem de hond extra want die zou nog voor verrassingen zorgen. In het bos stonden eetbare paddestoelen. Ik kende eetbare paddestoelen, want die had ik vaak genoeg klaargemaakt. Dus gingen we ze plukken. Thuis aangekomen werden ze direct gewassen en klaargemaakt. Maar de dames, zoals gewoonlijk, zagen wat aan de padde- stoelen. Ze twijfelden eraan of ze wel goed waren. Weet je wat? We zullen eerst de hond 'n portie klaarmaken. Als we dan over twee uur aan de hond geen bijzonderheden zien,dan waren ze gerust. Onze beurt was het en we hadden allemaal heerlijk gegeten. Toen kwam mien zoontje met de mededeling dat de hond met schuim voor de bek achter het zomerhuisje lag. De eigenaar van de camping werd geraadpleegd en stuurde ons direct naar het ziekenhuis waar onze magen werden leeggepompt. Terug thuis aangekomen lag de hond nog op dezelfde plek met zes gezonde jongen. Met onze lege magen was ook ons vakantiegeld verdwenen. Maar niet helemaal. Daarvoor in de plaats hadden we zes prachtige jonge honden.

DE HAPPIGE HOND

Elke dag gebeurde er wel wat toen we het café nog hadden. Zo was die middag een Spanjaard binnen geroepen die aan het wandelen was met de hond van Jan Limbeek waar de jongen ook in de kost was. Maar hij mocht met de grote hond van Jan niet in de kroeg komen. De andere Spanjaarden vroegen aan mij of hij niet even binnen mocht komen. Ik zei: een keer dan. Maar dan moet je hem onder de tafel leggen zodat niemand er last van heeft. Maar er gebeurde wel wat. Ik kwam er langs met koffie en wilde hem 'n koekje geven. Hap, hij beet me in de pols. Ik had geluk want ik had de mouw iets opgeslagen, anders had hij me een stuk uit de arm gebeten.

Een klant kwam direct naar me toe en zei: daar moet je direct mee naar de dokter. Ik naar de Spanjaard en zei: je moet met de hond direct naar de dokter en zeg maar dat hij Boelie gebeten heeft. Nee zei de klant, jij moet naar de dokter. Met dit ongelukje hebben we toch heerlijk gelachen

DE DWERGPINZEL

Daar onze hond dood ging, moest er weer 'n andere hond komen, want als je 'n hond gewend bent kun je 'n hond niet missen. (Klein voorbeeld: ben je ook maar twee dagen te laat thuis, dan is er een altijd blij en dat is toch de hond.) Mijn vrouw ging dus naar 'n dierenwinkel in Doetinchem en haalde daar 'n nieuwe hond. Maar omdat we 'n kleinere woning hebben gekregen hadden we 'n kleine hond willen hebben. We dachten aan 'n fox en 'n pinzel. Die zijn niet zo groot en toch vriendelijk. Toen mijn vrouw thuiskwam, zat de hond in 'n doos, maar waarschijnlijk heeft de winkelbediende 'n verkeerde doos in de auto gezet, want er kwam geen pinzel te voorschijn maar een Duitse dog. Maar ook zo'n hond moet 'n plas, dus ging mijn vrouw naar 'n plaspleintje vlak bij huis. We hadden toen al heerlijk gelachen, want op de koopnota stond 'n dwergrpinzel. In Zeddam lopen altijd gasten. Ik denk: 'n geintje, en ik vraag aan een van die gasten of hij verstand had van honden. Ik liet hem het koopbriefje zien en hij begon te lachen. Als het een goede winkel is moet je dat toch kunnen ruilen, meende hij. Ik vroeg: je weet toch zeker dat het geen dwergrpinzel is? Mijn vrouw, die dat allemaal hoorde, kon niet meer van 't lachen en kroop weg achter 'n dikke boom. Er kwamen nog meer mensen bij, dus dat was lachen geblazen. We hebben hem dan ook dezelfde dag nog geruild en het hele verhaal verteld. Daar werd ook weer heerlijk gelachen.

AUTO KWIJT

Ik ging met goede kennissen op bezoek naar Neuss bij Düsseldorf. Daar we 'n nachtje overbleven zouden de heren 's avonds even gaan stappen in Düsseldorf. Ze hadden ons verteld dat dat 'n heerlijke stad was om uit te gaan. We gingen samen met een auto en zochten een plek om die te parkeren. De chauffeur zei: laat ik de straat even opschrijven. Anders weten we straks niet meer waar we de wagen hebben staan. We gingen samen de stad in en hebben 'n heerlijke avond gehad. Maar 't mooiste komt nog: we konden de wagen niet meer terugvinden. We kwamen op het politiebureau terecht. De politie bekeek 't briefje waar de chauffeur de straat op had geschreven en begon te lachen. Op het briefje stond 'Einbahnstrasse', dat betekent in 't Hollands eenrichtingsweg. Ik lag krom van 't lachen want in heel Düsseldorf is eenrichtingsverkeer. De politie was zo vriendelijk ons te helpen zoeken. Eindelijk kwamen we op de plek waar onze wagen stond. Nu weten we allemaal wat Einbahnstrasse betekent.

MET HET VLIEGTUIG

We zouden voor het eerst op vakantie gaan in 't buitenland. Ik praat over we: mien vrouw Mimi en ik. We waren al is eerder op vakantie geweest in Zelhem. We gingen zo vlak in de buurt omdat een van de kinderen het aan de oren had. Dat ging op advies van de dokter. Die zei: blijf maar in de buurt. Die afstand hebben we met de bromfiets afgelegd, dus niet met 't vliegtuig. Dus deze keer voor de eerste keer naar  't buitenland en nog wel met 't vliegtuig, maar ik had nog nooit gevlogen. Na lang wachten stapten we naar binnen. Na 'n tijdje kwam de stewardess met de vraag of we weer uit wilden stappen, want de motor wilde niet starten. Effe aanduwen. Nou, dat aanduwen ging nog wel, maar hoe kom je dan weer erin. Met veel moeite was ik er nog net ingekomen. Toen ik om me heen keek zaten we met z'n vieren in 't vliegtuig: de piloot, 'n andere horecaman uit Rotterdam, de stewardess en ikzelf. Mien vrouw stond nog op de startbaan, net als die andere mensen die ook hadden helpen duwen. Na 'n tijdje met z'n vieren gekaart te hebben, want wat moet je anders met z'n vieren doen, werd er een borreltje gedronken. Maar de fles was al gauw leeg. Toen zei de barman uit Rotterdam: ik haal wel 'n nieuwe fles uit de kelder. Hij maakte een luik open en wilde naar de kelder. Later bleek dat er in een vliegtuig helemaal geen kelder is. We hebben die kerel nooit meer terug gezien.


In de verkiezingstijd met Mimi

Enig kind

Toen ik kennis kreeg aan mijn vrouw dacht ik dat ze enig kind was. Ze had mij verteld dat ze vijf huizen had. Later bleek dat wel te kloppen, maar dat waren werkhuizen en wat dat enig betreft: op de bruiloft kwam van m'n vrouws kant 'n heel weeshuis, 'n elftal met reserves, te voorschijn. Mien schoonvader was normaal niet zo sentimenteel, maar op de trouwdag kwam hij en zei tegen mien: Willem je hebt de beste getroffen. Maar na 'n tijdje dacht ik: als dat de beste is, dan wil ik de rest ook wel is metmaken. Nou viel dat in het begin nog wel mee. Als ik is even weg wou dan zei ze: ga maar gerust en je hoeft je niet te haasten. Als je over tien minuten maar weer bent. Tegenwoordig ligt dat anders. Als ik dan twee dagen niet thuis ben geweest dan krijg ik al 'n grote mond.

Het huwelijk

Als je in het huwelijk ruzie hebt is de man altijd schuldig. Dat heb ik van 'n goeie kennis, want die kan 't weten. Die zei altijd: als je precies doet wat de vrouw zegt, dan heb je nooit trammelant. Maar dan moet je wel alles doen. Ook als je 'n duur huwelijk hebt is de man altijd schuldig. Wij mannen menen dat we allemaal 'n knap vrouwtje moeten hebben, maar dan weet je ook van te voren dat het 'n duur huwelijk wordt. Een kennis van mien heeft drie dure huwelijken gehad. Is nu met de vierde bezig. Hij zei: Willem: dit huwelijk is echt goedkoop. Je hebt ze gezien. Ze is niet de allerknapste, dat geef ik toe, maar wel goedkoop. Als ik 's morgens wakker word en ik kijk opzij dan heb ik al meteen gegeten en gedronken. Zie je nou wel dat de man altijd schuldig is. 'n Goedkope raad voor jonge mannen.

Het gelukkige paar in 1956



DE KUSJES

We waren verhuisd naar de 's-Heerenbergseweg, boven de elektrozaak van de familie Ten Holder. Wat is nou het geval? Als je boven door het raam keek, keek je precies bij de mensen beneden in de kamer. Nou was dat echtpaar pas getrouwd. Als de man naar de tuin ging, kreeg ze 'n kusje. Kwam hij weer terug, weer 'n kus. Ging hij boodschappen, dan weer 'n kus, dat ging zo de hele dag door. Ik vertelde dat aan mijn vrouw. Die zei: dat moest jij ook maar is doen. Ik zei daar begin ik niet aan want ik ken die hele vrouw niet.

DE KOELKAST

De man komt thuis en zegt tegen zijn vrouw: wie is er hier geweest? want hij rook sigarenlucht. Geen mens, antwoordde zijn vrouw, maar hij vertrouwde het niet en liep naar het balkon. Hij keek en zag een man bij de bushalte staan met 'n grote sigaar aan. Hij dacht meteen: dat is die kerel die bij mijn vrouw op visite was. Hij maakte zich zo kwaad en pakte de koelkast op en gooide die over het balkon hen, boven op de kerel bij de bushalte. Even later kwam die boven bij Petrus en die vroeg: hoe kom jij dan hier? Nou, ik stond rustig een sigaartje te roken bij de bushalte, daar staat iemand op het balkon en gooit zo 'n koelkast boven op m'n kop. Nou, zegt Petrus, dat is niet leuk meer. Inmiddels komt er nog 'n man bij Petrus. Hoe kom jij dan hier? Ik zit rustig 'n sigaartje te roken in de koelkast en wat denk je dat er gebeurt?...

ZEEVISSEN

Een bekende groenteboer ging vissen op zee met z'n vrienden. Heerlijk, zei de groenteboer, daar heb ik maanden op zitten wachten. 'n Heerlijk pilsje en 'n lekker borreltje bij zo'n visplezier. Maar na 'n paar uur werd hij zeeziek en moest spuwen. Daarbij verloor hij z'n bovengebit. Dat had een van zijn vrienden gezien en dacht meteen: daar moet ik 'n geintje van maken. Hij maakte z'n eigen bovengebit aan de hengel en riep na 'n tijdje: kom is kijken wat ik aan de hengel heb. Dat is mijn bovengebit, riep de groenteboer, dat heb ik net verloren. Hij trok het gebit van die andere hengel, paste dat in de mond en riep toen: dat is de mijne niet, want die paste niet. En gooide die ook weg in het water.

Enkele oudere bouwvakkers kunnen zich het mooie verhaal nog wel herinneren van Dorus Kroeze. Wanneer er vroeger 'n huis gebouwd werd, werd eerst 'n nood-wc gemaakt. 'n Gat in de grond, twee paaltjes langs 't gat, 'n plank er overheen en vastgespijkerd op de paaltjes. Dus wanneer iemand nood had, ging hij op de plank zitten, de rest viel onder in 't gat. Wanneer dat gat vol was werd 'n nieuwe wc gemaakt. Ik moet dit eerst uitleggen om 't volgende verhaal te snappen. Vlak naast de bouw woonde 'n leuk mooi buurvrouwtje. Daar hadden de bouwwakkers wel 'n oogje voor. Vooral Dorus liet dat ook blijken. Om 'n goede beurt te maken bracht hij houtkrullen en aanmaakhoutjes voor de kachel naar dat buurvrouwtje. Hij had geen concur- rentie, want dat duldde Dorus niet.

DE NOOD-WC

Iedereen was bang voor hem.Dat ging zo weken goed, maar aan alles komt 'n einde en er werd besloten om Dorus 'n poets te bakken. De zak werd bovenin gevuld met een laagje stront, de zak werd weer dichtgemaakt en nu was het wachten tot Dorus de zak wegbracht. Dat gebeurde, zoals gewoonlijk. Nu was het wachten tot de bewuste zak in gebruik werd genomen. De vrouw wist niet beter dan dat Dorus dit geflikt had en was direct van plan om wraak te nemen. Ze besloot om, als het donker werd, de plank van de wc bijna door te zagen. Dat vond ze zelf een reuze plan. Maar daarvoor moest een van Dorus' mede- werkers gewaarschuwd worden dat ze moesten wachten tot Dorus naar de wc wasgeweest. Er was natuurlijk dolle pret op de bouw.

Alles verliep volgens plan, want toen Dorus op 't plankje ging zitten, lag hij al gauw onder 'n het gat. Dolle pret, niet alleen voor 't vrouwtje, maar ook voor de collega's. Of de buurvrouw nadien nog krullen heeft gekregen is niet bekend.

DE ONDERDUIKERS

Het liep tegen Pasen en dan is er in Zeddam altijd 'n missieweek. Dan komt iedereen in de gelegenheid om te biechten. Een boer uit Vethuizen die in de biechtstoel kwam, zat al jaren met 'n probleem en dat moest hij nu kwijt. Meneer pastoor zei: vertel is, wat is het probleem? Ik heb in de oorlog zes joden als onderduikers gehad en daar kreeg ik 150 gulden van in de week per persoon. Nou dat is toch 'n goede daad en dat geld kwam je toch ook toe want er zat toch een groot risico in, zei de pastoor.

Waren ze allemaal maar zo goed geweest, dan waren er niet zoveel gestorven. Dus ik weet niet wat je dan wilt biechten. Ja maar, zei de boer, ik zit er toch wel mee. Ik heb ze vanmorgen pas verteld dat de oorlog al meer dan vijftig jaar afgelopen is. 'n Late bevrijding is ook feest.

LEKKERE DROL

Het spreekwoord 'lekkere drol' is weer terug. M'n zwager heeft altijd iets aparts en heeft al 'n paar keer geprobeerd in Kinnis-Book-Record te komen maar het lukte hem nog steeds niet. Hij is nu lid geworden van 'n drollenclub.; het gaat erom wie de langste drol kan drukken. Het record staat op dit moment op naam van een Belg met de lengte van 89 cm. Ze hebben 'n eigen clublokaal waar ze tweemaal in de week oefenen.De drol moet aan bepaalde eisen voldoen qua glans en dikte en moet goed afgeknepen zijn. Er was de week tevoren iemand op doping betrapt om de glans te vergroten. Die mag gedurende een maand niet meer drukken.

Hij is nu ook lid geworden van 'n bond 'Laat de drollen rollen'. Zo heet ook het bondsblaadje dat hij elke maand ontvangt. Volgende maand zijn er Europese kampioenschappen. Volgens het bestuur van de club maakt hij 'n goede keus, want m'n zwager heeft altijd overal schijt aan. Hij is dus vreselijk druk, maar hij maakt 'n goede kans. Hij heeft zich pas aan 'n facelift laten opereren zodat de drol iets sierlijker voor de dag komt. Hij wil winnen en loopt dan ook regelmatig blauw aan, maar dat deed hij vroeger al. Hij heeft veel fans en wordt dan ook door buren, vrienden en familie gesponsord. Zelfs van de gemeente hebben ze hem subsidie beloofd, maar dat geld is nog niet binnen.

We wensen hem dan ook veel drukplezier en veel succes. Dit wordt hem toegewenst door alle fans, maar vooral door je zwager Boelie.

VLOERBEDEKKING

Het kwam vaker voor dat ik even moest bijspringen bij mijn broer Theo, bijgenaamd Theetje Meubel, als er kasten of andere zware meubels verplaatst moesten worden. Ook dit keer moest ik helpen daar er 'n stoffeerder ziek was geworden. Er moest namelijk bij de familie Helmink in Braamt vloerbedekking gelegd worden. Het was 'n grote kamer. Dat is dan 'n hele klus. Bijna hadden we 'm dicht gespijkerd, zegt mijn broer: er zit een bultje onder de vloerbedekking aan de rand van de kamer. Dan moeten we de lange kant maar weer losmaken. Ik zeg: dat is mijn shagpakje.Ik haal wel 'n plank uit de wagen en sla 't wel weer plat. Als dat dan niet lukt kunnen we 't altijd nog loshalen. Ik heb 'n tijdje zitten te kloppen en ik zag van dat bultje helemaal niks meer. We waren bijna klaar, toen kwam mevrouw Helmink met de vraag of we het marmotje ook gezien hadden, want de meid was het diertje kwijt. Nee mevrouw. We keken elkaar aan, dat was dat bultje, in plaats van die shag. Het diertje was verdwenen en zat dus onder de vloerbedekking. Veel spijt maar dat hielp niet meer. Ik ben later met dat stoffeerwerk gestopt, want ik ben carapatient en allesbisch voor vloerbedekking. We hebben nog vaak over dat plakje shag gepraat en zijn door die marmot allebei van 't roken af gekomen.

BELGENMOP

Twee Belgen niet al te snugger moesten voor de keuring voor de militaire dienst. De eerste komt binnen. Vraagt de commandant: 't tikt en 't hangt aan de muur. Hij denkt en denkt. Ik weet 't niet. Tweede vraag: je staat erin en er zitten veters in. Denkt en zegt weer dat weet ik niet. Dat zijn jouw schoenen, dat had je toch moeten weten. Je komt volgend jaar maar weer terug want aan jou hebben we niets. De eerste gaat naar de wachtkamer waar de tweede zit te wachten. Hij vertelt gauw wat ze hem gevraagd hebben. Maar het gaat wat te vlug en de ander haalt de boel door elkaar. De volgende, zei de commandant. Ik hoop dat je 't beter doet dan je maat. Eerste vraag: het tikt en het hangt aan de muur. De Belg zegt: zitten er ook veters in? Nee. Nou dan weet ik het al, dan zijn het sandalen Een Belg heeft autopech aan de grens, zet de gevarendriehoek achter de auto en vraagt aan omstanders even de auto naar voren te willen duwen. Een van de omstanders vraagt waarom. Zegt hij: omdat de gevarendriehoek te dicht bij de auto staat.

ENKELE SPREUKEN

Hoge bomen hebben veel brandhout. Wie de schoen past valt niet ver van de boom. Als het kalf verdronken is huilt de koe. Wie 'n gat graaft voor 'n ander wordt zelf moe. De appel valt niet. Volle vaten klinken beter dan lege. Wie een scheet laat bij 'n ander heeft thuis geen stank. 'n Scheet doet meer dan je weet: hij tiert, hij raast hij fluit, hij verlicht je darm.

AAN ANDRÉ VAN DUIN

Beste André, in je programma van donderdagavond vroeg je om nieuwe uitvinders. Ik heb namelijk een uitvinding van spijkers, die je voor de vloer, maar ook voor het plafond kunt gebruiken. Ze worden al maanden uitgeprobeerd in het Spijkerkwartier in Arnhem. Daar is altijd wel wat los of loos. Ik kwam op het idee door m'n neef, die heeft namelijk een warenhuis. Ik vroeg daar naar spijkers. Hij vroeg: hoe lang moet je ze hebben. Ik vroeg: hoe lang kun je ze missen? Ze zijn verpakt in doosjes in twee helften, 25 links voor boven en 25 rechts voor onder. Daar ik al jaren lid ben van de carnavalsvereniging en telkens een buut breng, vonden ze allemaal dat dit m'n kans was. Ik hoop dan ook dat je mij een kans wilt geven om je mijn uitvinding te tonen. Je weet zelf wel wel: elke uitvinding kost veel geld. Hopende op deze manier de kosten te drukken.

UITVINDING

Kijk, bij een nieuwe uitvinding komt wat bij kijken. Na mijn laatste uitvinding van de bekende spijkers ben ik nu bezig met een nieuw soort mollenvanger. Door de oude klemmen waar onherroepelijk de dood van de mol het gevolg van was, heb ik nu een milieuvriendelijke mollenvanger ontworpen. Daar ik zelf uit een boerenfamilie kom, heb ik veel verstand van dieren. De mol is vanouds het nieuwsgierigste dier dat op de wereld is. Ik heb een mollenwekker ontworpen. Dat werkt zo: u ontdekt dat er een mol in de tuin zit. Dan zet je de wekker bijvoorbeeld op 10 uur. De wekker loopt af en daar het diertje erg nieuwsgierig is gaat hij naar boven en wil kijken hoe laat het is. Dan grijp je het dier met een speciaal ontworpen mollentang en het komt dan onbeschadigd in een kooitje, zodat je de mol weer ergens anders kunt gebruiken. Met als gevolg dat er weer een wekker verkocht wordt. We hebben in Zeddam nog een horlogemaker die alles nog met de hand maakt, ook de mollenwekker. Dat is natuurlijk goed voor vele jaren werkgelegenheid.

EEN EEUW CAFÉ DE WAAG

Het jaar 1997 is een feestjaar voor café De Waag in Zeddam. Precies een eeuw bestaat het bedrijf, voorheen gerund door Wim en Mimi Kleinpenning, vanaf 26 februari 1997 door het echtpaar Pia en Roel Wielders. Bijna deze hele eeuw bleef het bedrijf in de familie Kleinpenning, vier generaties lang. Het paar Theodorus Gerhardus Kleinpenning en Johanna Lambertina Tomesen uit Braamt kocht het toen leegstaande pand naast het gildehuis in Zeddam in de zomer van 1897 van ene mejufrouw Verboon. Er waren in die tijd plannen voor een tramverbinding Zutphen-Emmerik. Toen de tram in 1902 inderdaad ging rijden werd het pand ingericht als stations-koffiehuis. Het lag daarvoor gunstig bij het tramstation. In een bijgebouw van het huis kwam een veeweeg. In 1921 werd het bedrijf door de tweede generatie, Herman Kleinpenning en Gerharda Johanna Span, uitgebreid met een timmerwerkplaats en meubelhandel. Het was dus al met al 'n hele bedrijvigheid hier. Vaak al 's morgens om vijf uur kwamen de boeren uit de hele gemeente Bergh hier hun varkens wegen. Het levend gewicht werd dan in het café uitbetaald, natuurlijk met een vroege borrel erbij. Ook fungeerde café De Waag als wachtkamer voor de tramreizigers. Wim Kleinpenning, de derde generatie, herinnert zich dat buiten aan het gebouw een vlag hing. Een witte als de tram richting Emmerik vertrok, een rode als hij naar Doesburg ging. Soms zaten de mensen bij een borreltje te wachten op de tram. Dan kwam de machinist binnen om te zeggen dat hij wilde vertrekken, maar hij kreeg dan prompt commentaar: „Je hebt altijd zo’n haast, hier, neem eerst een borrel.” De machinist nam er nog een en nog een, maar daar kwam de conducteur aan. Gaan we nog? De machinist zei dan: rustig maar, neem er zelf ook een. Dan nam de conducteur er ook nog ’n paar, totdat de reizigers in de tram ongeduldig werden.

De tram bij het Zeddamse station


werden en kwamen vragen of ze soms naar Emmerik moesten lopen... Wim en Mimi Kleinpenning namen café en veewaag in 1956 over. Wim richtte toen een tafeltennisvereniging op, de Optimisten, waar- van de wedstrijden werden gespeeld op de zolder van de Waag, in de voor- malige meubelzaak van zijn vader. Toen de veewaag werd opgeheven begon Wim enkele jaren later een cafetaria. Een groot succes was de aanschaf van een tv-toestel. „Mijn vader vond het zonde van het geld, maar als er zondags een voetbalwedstrijd werd uitgezonden zat het café mooi twee uur voor de tijd vol, ze zaten nog boven op het biljart” zegt Wim. In 1984 nam de vierde generatie het over, zoon Rens met de Ettense kasteleinsdochter Jacqueline Tiemessen en er kwamen twee biljarts, waarvan een voor de competities. De oude veewaag heeft Wim Kleinpenning met zijn zonen fraai opgeknapt.


Het Stationskoffiehuis

Hierop werden vroeger koeien, varkens en paarden gewogen met behulp van gewichten. De waag werd in 1910 in Emmerik gekocht. Er waren in de regio meer veewagens, maar op die van Kleinpenning kon het meeste vee ineens worden gewogen.

Het wegen ging het hele jaar door. Als het warm was al vanaf vier uur 's morgens. Vaak kwamen in het najaar boeren met drie varkens, waarvan ze er twee verkochten en een zelf slachtten. Alles werd in die tijd nog contant betaald en als ter plaatse varkens werden verhandeld, werd daarop in het café meteen een borrel genomen. Bij het vee inladen hielpen buren en ook weer bij thuiskomst kwam de fles weer op tafel. Soms had de voerman een glaasje te veel op maar het paard wist dan gelukkig blindelings weg naar huis terug. Sommige kooplieden liepen met kapitalen rond. De familie Kleinpenning vond in de waag eens een tas met 85.000 gulden. De volgende morgen belde een handelaar doodleuk of er soms een tas met geld was blijven staan. Door de komst van de cheques werd de handel stukken minder. Het wegen kostte in de beginjaren tien cent, later vijftien cent en vervolgens een kwartje. De boeren klaagden altijd dat het te duur was.

Zo is er ook over café De Waag in Zeddam nog heel wat te vertellen.


Dit boekje is digitaal gemaakt door '' Je bent een echte Zeddammer als '' (Heino Böhmer)

Op www.zeddammer.nl of  https://jebenteenechtezeddammerals.blogspot.com/

Vind u nog meer  oude verhalen over zeddam 







Reacties

Populaire posts van deze blog

Vooral Uit het Boek rondom boven dorp en onder dorp Zeddam

De Toren en Rosmolen van Zeddam , Door A.G van Daalen geschreven (Ingekleurde foto's erbij)

Uit het boekje De Sint Oswalduskerk Zeddam , Historie en bezienswaardigheden