Uit het boekje De Sint Oswalduskerk Zeddam , Historie en bezienswaardigheden

Wat u hieronder leest is een oud boekje , Wat er allemaal nog van actueel is kan ik u niet vertellen.

Veel lees plezier verder


Voorwoord

Beste lezer en lezeres,

“Zeg mij je naam en ik zal je vertellen wie je bent”. Mijn naam is de St. Oswalduskerk te Zeddam. Ik ben de enige kerk in Nederland die deze naam draagt. Daar ben ik trots op. Deze naam is afkomstig van de heilige Oswaldus uit het noorden van Engeland. Hij stierf op 5 augustus 642 in de veldslag van Maserfield in het noorden van Schotland. Eerst was hij in zijn jeugd een heidense koning, maar werd later in zijn leven door de monniken van Iona gedoopt. Door zijn toedoen werd Schotland Christelijk. De H. Willibrord had een grote verering voor hem. Door zijn toedoen kreeg ik deze naam. Die naam draag ik met ere: St. Oswalduskerk.

Dit boekje vertelt u wat over de lange, rijke geschiedenis van deze kerk en tevens vindt u in dit boekje een handleiding bij de kostbaarheden, die deze kerk bezit. Ongetwijfeld zult u er plezier aan hebben, bij uw rondgaan in deze kerk.

Bedankt voor uw bezoek en wilt u het priesterkoor niet betreden s.v.p.

Het kerkbestuur.


Op een historische plek

Als u de Sint Oswalduskerk van Zeddam binnenkomt, de katholieke parochiekerk, bevindt u zich op een heel historische plek.

Deze kerk is de oudste van de directe omgeving, maar hóé oud precies kan men alleen gissen. Wel moet het minstens acht eeuwen geleden zijn dat men deze plek uitkoos. In 1145 immers wordt deze kerk voor het eerst vermeld. Maar mogelijk is ze toch al wat eeuwen ouder.

Het dorp Zeddam, oudtijds Sydehem (side heim betekent: lage woonplaats) zal dateren uit de tijd van de Frankische kolonisatie van dit gebied, zo rond 800 na Chr. Het is niet uitgesloten dat de kerk in die tijd al is gesticht, met die in het naburige dorp Azewijn, die in 828 reeds wordt vermeld, als voorganger.

Willibrord?

Over de vraag, wie opdracht heeft verstrekt voor de bouw van de kerk in Zeddam is al heel wat gebakkeleid. De ene historicus meent dat het de missionaris Ludger is geweest, de andere houdt het op de Heer van den Bergh, die vanaf de elfde eeuw op de heuvel Montferland woonde en Zeddam vanaf deze bijna 70 meter hoge woonstee zijn naam “lage woonplaats” gaf.

Ook wordt de kerkbouw vaak toegeschreven aan de bekende evangeliebrenger Willibrordus (658-739). We weten immers dat deze Willibrord begin achtste eeuw in het naburige (Duitse) Emmerik aan de Rijn een kerk wijdde, als centrum van waaruit de streek aan deze zijde van de rivier tot het belijdende christendom werd bekeerd. Deze kerkwijding heeft ergens tussen 700 en 721 plaatsgehad. Aan de Emmerikse kerk werd enige eeuwen later een priesteropleiding verbonden.

De patroon van de Zeddamse parochie en tevens van het eeuwenoude gilde van Zeddam is Sint Oswaldus. In de keuze van deze kerkpatroon ziet men een aanwijzing dat Willibrord zelf de stichter zou zijn geweest. Sint Oswaldus was namelijk een landgenoot van Willibrord, net als hij afkomstig uit het Engelse staatje Northumbrië. De zendeling zal dus best een bepaalde voorliefde voor die St. Oswaldus hebben gehad, zo is de logische redenering.

Maar anderzijds is de afstand van Zeddam tot Emmerik toch weer te gering; het lijkt onwaarschijnlijk dat Willibrord zelf twee moederkerken zo dicht bijeen zou hebben gebouwd, terwijl hij natuurlijk ook moest werken met de middelen om een zo groot mogelijk gebied met zijn activiteiten te bestrijken. Een andere mening is dat de kerk te Zeddam is gesticht vanuit Utrecht door een van de kapittelkerken aldaar, rondom de Dom.

De Zeddamse kerk staat in het oudst bewoonde deel van het huidige dorp, het zogenaamde Bovendorp. Hier tegen de helling was men, in de tijd toen er nog geen dijken waren, veilig voor de telkens overstromende Rijn.

Het lagere deel van Zeddam, gelegen ten oosten van de huidige hoofdweg (‘s-Heerenbergseweg-Kilderseweg), is met de buurtschap Vinkwijk pas begin 13e eeuw in ontginning genomen.

Het bleef lang een open gebied. Afgezien van wat boerderijen langs de huidige Benedendorpsstraat is de bebouwing in dit deel van het dorp pas de laatste eeuw tot stand gekomen.

Bij-kapellen

De oudst bekende pastoor van Zeddam is “Jacob, priester van Sedehem”, die zonder achternaam in een oorkonde van 1272 voorkomt.

Als op 22 februari 1370 een bijkapel in Azewijn wordt gesticht, komen we ene Gisbert -ook zonder achternaam- als “kirchere te Zeddam” tegen (pastoor).

Zeddam was vanouds een kerspel. Dit is een iets ruimer begrip dan parochie. Het kerspel Zeddam, dat ook in burgerlijke zin een beetje als ‘n eenheid gold, omvatte ook de toenmalige buurtschappen Braamt, Azewijn, Lengel, Stokkum, Kilder, Wijnbergen, Vethuizen en voorts nog Wehl en ’s-Heerenberg.

De kerkgangers uit dat hele gebied trokken te voet, door bossen en velden, over langzaam zo gevormde kerkpaden, naar de Zeddamse moederkerk. Maar dat was een onveilige tocht. Overstromingen en hagelbuien, struikrovers en wolven belaagden de mensen. Dat dit geen fantasie is blijkt uit een bisschoppelijke brief uit die tijd. Overvallen op argeloze kerkgangers kwamen, zeker in het bosrijke Berghse land, nogal eens voor. De weg van ’s-Heerenberg naar Zeddam was eeuwenlang een heel beruchte route, waar struikrovers geen zeldzaamheid vormden. Dit alles leidde tot kerkverzuim. Het is dan ook begrijpelijk dat de behoefte ontstond om in de verwijderde buurtschappen bijkapellen te stichten. Zulke kapellen verrezen in Wehl, ’s-Heerenberg, Azewijn, Lengel, Braamt en Wijnbergen. Ze werden bediend door de Zeddamse hulp-priesters. Deze reden dan meestal te paard naar de kapellen toe om er de mis op te dragen en de sacramenten toe te dienen.

Op dit kaartje is aangegeven hoe groot vanouds de parochie (het kerspel) Zeddam was.



Wehl en ’s-Heerenberg zijn het eerst van Zeddam afgescheiden als zelfstandige parochies. Wehl al vóór 1247 en ’s-Heerenberg, na zijn verheffing tot stad, als statie in 1399.

Als ’s-Heerenberg zelfstandige statie wordt, is Joannes van der Mollen pastoor van Zeddam.

In de loop der eeuwen werden vervolgens ook andere buurtschappen en dorpen zelfstandige parochies. Achtereenvolgens waren dit Wijnbergen (statie in 1633), Azewijn in 1864, Kilder (in 1854 naar de parochie Wehl overgegaan en zelfstandige parochie in 1886), Stokkum in 1915 en Braamt in 1948, terwijl de buurtschap Lengel in 1966 overging naar de nieuwe Emmausparochie in ’s-Heerenberg-oost, een afsplitsing van de St. Pancratiusparochie ’s-Heerenberg.

Tegenwoordig behoren alleen nog de buurt Vinkwijk en de buurtschap Vethuizen met het dorp Zeddam tot de Oswaldusparochie.

De vorm van de kerk

Het uiterlijk van de Zeddamse kerk is altijd zoals nu geweest.Als u buiten voor de toren staat, ziet u onder de galmgaten één geleding lage oude schietgaten, die ooit zijn dichtgemetseld. De toren was vroeger uitkijktoren over het Montferlandse land.

De toren, in aanleg het oudste deel van dit gebouw, is in de 15e of begin 16e eeuw verhoogd. Het was in die tijd een beetje mode om oude een-beukige maanse kerkjes af te breken en te vervangen door nieuwe in gotische stijl. (Het beuk is de ruimte tussen twee rijen pilaren).

De kerktoren bleef staan, maar werd verhoogd. De kerk werd twee-beukig. Men had meer ruimte nodig. Dat kwam doordat er meer altaren geplaatst moesten worden, want er waren vicarieën gesticht.


Een vicarie was een fonds, door één of meer stichters (families) bijeengebracht uit pachten en renten. Uit die inkomsten werd dan de eredienst op een eigen vicarie-altaar bekostigd. Eens of meermalen per week, afhankelijk van de inkomsten, droeg een hulp priester (vicaris) de H. Mis op ter intentie van de overleden stichters en hun nazaten. Dit stichten van vicarieën werd in de 15e eeuw een ware rage. In Zeddam had men vicarieën van Sint Oswald (van het Oswaldusgilde waarschijnlijk), van Sint Antonius de Kluizenaar, van het H. Kruis en van Sint Nicolaas. Vier altaren dus, nog behalve het hoofdaltaar.

De nevenaltaren waren opgesteld langs de zijmuren van de kerk. Banken en stoelen kende men vroeger niet in kerken, de mensen bleven gewoon staan. De oude twee-beukige kerk van Zeddam is in 1891 gesloopt, ook nu weer op de toren na. Die bleef staan.

Enerzijds wilde men met de “mode” mee die overal de grootste neogotieke bouwstijl propageerde. Anderzijds wilde men qua ruimte op de toekomst berekend zijn.

Pastoor Hulshof (1868-1884) nam het initiatief voor de herbouw, maar die kwam pas onder zijn opvolger Leijser tot uitvoering. De nieuwe kerk, ontworpen door de kerkarchitect Te Riele uit Deventer, werd drie-beukig. In de zomer van 1892 kon zij door aartsbisschop Snickers worden ingewijd.

Wel was het jammer dat het qua bouwstijl zo unieke oude tweebeukige kerkje verdween.


De Fransen

In 1672 kwamen de Fransen, die zich de beschermers van de katholieke Kerk noemden. Door hun toedoen ging de kerk van Zeddam terug naar de katholieken. We lezen in een rekening uit die tijd dat er benodigdheden zijn gekocht voor de katholieke eredienst: o.a. een wijwaterkwast en -vat, miskleed, hosties, wijn, etc. Op Pasen 1672 werd voor ’t laatst het H. Avondmaal in de kerk gehouden.

Voor ’t laatst? Nee, de pret zou maar twee jaar duren. Want toen de Fransen zich in 1674 uit hun veroverde gebieden moesten terugtrekken, kregen de protestanten toch weer kans de kerk tot zich te nemen.

De katholieke leer werd nu echter in zoverre geduld dat de katholieken voor zichzelf een kerk mochten bouwen, maar die mocht er uiterlijk niet als een kerk uitzien. Het werd een kerkhuis, dat gestaan heeft tegenover de torenmolen van Zeddam. Een pater werd er tot pastoor benoemd.

In 1748 kwam er een andere schuurkerk, tegenover het tegenwoordige bejaardencentrum Sydehem, bij de oude Wehme. (pastorie)

Opnieuw katholiek

Als op 21 maart 1809 koning Lodewijk Napoleon op een rondreis toevallig met zijn rijtuig en gevolg door Zeddam komt, wordt hij daar aangeklampt door een protestantse schoolmeester, die allerlei klachten wil spuien over de katholieken van Zeddam.

Maar de katholieken, die dit horen, klagen op hun beurt over hun achterstelling. Ze wijzen op de grote kerk, waar het handelvol protestanten nog altijd gebruik van maakt, terwijl de katholieken opgepropt zitten in een “ravennest” van een kerkhuis.

De koning, die nu persoonlijk gaat kijken, stelt pastoor Joannes Beenen voor de keus: een nieuw kerkgebouw of de oude kerk terug. Dat laatste kiest hij. En op 1 januari 1810 is de Zeddamse kerk definitief terug bij de Roomsen.

Wraak?

De protestanten meenden nog recht te hebben op de kerkklokken en probeerden de klokkestoel uit de toren te zagen. Boze tongen beweren dat ze de klokken uit wraak wilden laten neerstorten. Wat de waarheid is, weten we niet, want de slopers werden bij hun werk gestoord en dropen af. Één balk hadden ze toen al een heel eind ingezaagd. Nog altijd is die zaagsnede boven in de toren te zien.

Maar men heeft de ingezaagde balk natuurlijk weer versterkt, zodat er niets kan gebeuren. Op een balk vlak bij de zaagsnede staat nog een vrijheidsboompje getekend, met de leus van de Franse revolutie.

De protestanten bouwden een eigen kerkje in het Bovendorp, tegenover de Oswalduskerk.



In andere handen

De Oswaldus heeft dus niet altijd dienst gedaan voor de katholieken. Integendeel, gedurende twee perioden was het gebouw in gereformeerde handen.

In 1596-1597, in de Tachtigjarige Oorlog dus, werd de Zeddamse kerk hervormd, zoals de kerkplakkaten dat voorschreven. Voortaan zouden immers doop en huwelijk alleen nog maar rechtsgeldig zijn, als ze werden afgekondigd in een gereformeerde kerk.

Al sinds de komst van de geuzen was het in deze streek niet meer veilig voor de Roomsen. In ’s-Heerenberg werd op 19 december 1570 de pastoor Johannes van Esseren in zijn superplie zelfs opgehangen, omdat hij zich niet naar de nieuwe leer wilde richten.

De afgezette Zeddamse pastoor Johan Kniest vond het maar beter om onder te duiken, maar probeerde intussen op allerlei manieren toch de bevolking af te houden van de nieuwe leer. Maar veel Zeddammers waren weggevlucht, om in 1598 weer massaal terug te keren. De kerk raakte zwaar in verval.

Men zegt dat de kostbare altaarkast (nr. 1) in die tijd door enkele Zeddammers elders is verborgen, om in veiliger tijden weer te voorschijn te worden gehaald.

Het heeft in Zeddam nog jaren en jaren geduurd, voordat er een protestantse gemeente van de grond kwam. Tot 1601 was de gemeente gecombineerd met ’s-Heerenberg, waar Casparus Sollingius predikant was. Deze knapte het vervallen Zeddamse kerkgebouw wat op.

In 1601 kwam Hieronymus Geropagus, de eerste eigen hervormde predikant, naar Zeddam. Maar hij en ook zijn vele opvolgers konden niet op tegen de “opstinate” Zeddammers, die maar niet meewerkten en met één been in het oude geloof bleven staan.

Jacob Revius

Dan, voorjaar 1613, werd een heel beroemd predikant naar Zeddam gezonden, Jacob Revius. Deze fel anti-roomse Revius zou orde op zaken moeten stellen. Revius was zoon van de burgemeester van Deventer, theoloog, wijsgeer, dichter en historicus, later hoogleraar in Leiden. Hij stelde diakenen en ouderlingen aan. Vogelschieten en dat soort vertoon verbood hij en hij liet alle paapse voorwerpen uit de kerk verwijderen.

Maar zelfs deze felle welbespraakte predikant kon het in Zeddam niet bolwerken. Hij vertrok al na tien maanden weer. Naar hem is in Zeddam nog een straat genoemd.

Sinds 1630 is de hervormde gemeente Zeddam uitgebouwd door het aantrekken van protestantse boeren van elders, aan wie kerkgronden werden verkocht om een bedrijf op te stichten. Nog altijd zijn veel grote boeren in Zeddam en omgeving protestant.

Maar ook ondanks dat maakte de nieuwe leer maar weinig vorderingen. De bevolking trok naar Emmerik om daar “paaps” te laten dopen en men beweert dat ook in de bossen wel de sacramenten werden toegediend, o.a. op de Galgenberg. De overheid zag hierop niet zo streng toe.

Rond 1620 kwam er zelfs een actie op gang tegen de nieuwe leer. De graven Van den Bergh in ’s-Heerenberg steunden deze en klandestien werden sindsdien ook voor de bevolking missen opgedragen, o.a. in kasteel Bergh in ’s-Heerenberg.

In zo’n dertig jaar tijds ging de meerderheid van de bevolking terug naar de oude leer, voor zover ze al was overgestapt. En dat is dan de reden dat Bergh nog altijd overwegend katholiek is.

In 1819 werd de Azewijnse kerk gebouwd als bijkerk van Zeddam. Volgens het schriftelijk verzoek hiertoe van de inwoners van de buurtschap Azewijn was er in de hele provincie geen slechtere weg te vinden dan de lage kleiweg naar Zeddam, en de afstand bedroeg één tot twee uur lopen.

Voortaan gingen priesters vanuit Zeddam in Azewijn missen opdragen en sacramenten toedienen. In 1864 kreeg Azewijn zijn eerste eigen pastoor.

Terwindt

Vóór het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in 1853 vormden zogenaamde aartspriesters de kerkleiding. Dat waren dan pastoors, die ook nog een parochie onder hun hoede hadden.

Mathias Terwindt, geboren in 1784 in Pannerden, die van 1827 tot zijn overlijden in 1848 pastoor van Zeddam was, werd tot aartspriester van Gelderland verheven in 1834.

Vóór zijn functie in Zeddam was Terwindt rector van het toenmalige Groot-seminarie in ’s-Heerenberg. Terwindt liet de Wehme bouwen, de vroegere pastorie die nog aan de Benedendorpstraat 30 (W. ten Brink) staat.

De klokken

In de Tweede Wereldoorlog zijn door de Duitsers twee grote kerkklokken weggehaald, om te worden omgesmolten tot munitie.

De ene was de 1570 kg zware Oswaldusklok uit 1626, de andere een 900 kg wegende klok uit 1788.

Op 6 januari 1943 krabbelden twee Zeddammers met een potloodje op de houten kast van het uurwerk: “De moffen hebben de klokken gestolen” en “De klokken worden uit de toren gehaald”. De plankjes met deze en meer opschriften zijn in het kerkportaal in de uurwerkkast nog te zien.

Bij beschietingen in de nacht van 31 maart op 1 april 1945 werd de kerk zwaar beschadigd. In de toren zijn na de oorlog, in 1949, drie nieuwe klokken gehangen. De grote Salvatorklok, met zijn diepe bronzen galm (1200 kg) en de lichtere Oswaldus- en Mariaklok.

Tot zover het zeer roerige verleden van dit gebouw. Zo’n rijke historie mag niet “onder de korenmaat” blijven. Vandaar dat het kerkbestuur van de St. Oswalduskerk, naast de vele bijzondere kerk- en kunstschatten, U in de vitrine ook enkele oudheden van deze kerk wil laten zien, zoals documenten, foto’s, doop- en trouwboeken.



Op dit plattegrondje vindt u de plaatsen , waar de afgebeelde bezienswaardigheden zich bevinden.


Een rondgang door de kerk

Laatgotisch gesneden retabel

Het beroemdste kunstwerk in de Oswalduskerk is de oude altaarkast of retabel (1). Het is een schitterende uitbeelding van het lijdensverhaal, gesneden uit eikenhout. Aan het zevenmaal ingebrande stadsmerk is te zien dat het stuk afkomstig moet zijn van de Antwerpse kunstschool. Volgens een oud verhaal is de naam Antwerpen afgeleid van “hand-werpen”, vandaar dat dit stadsmerk een handje voorstelt. Rond 1520 moet het daar zijn gemaakt. In Nederland zijn nog vier van dergelijke retabels van Antwerpse makelij te vinden.

De figuren in de altaarkast zijn kodig, eerder volks dan religieus van karakter.

Over de manier waarop de altaarkast in Zeddam terecht is gekomen, bestaan verschillende lezingen. Eén ervan wil dat de kast uit het voormalige Franciscanerklooster in Elten afkomstig is. De Fransen wilden de altaarkast als veroverd cultuurgoed naar Parijs sturen, maar een paar Stokkumse boeren stalen haar van de kar, waar ze al op geladen was, en verborgen het kunstwerk in de bossen, om het na het vertrek van de Fransen in de schuilkerk te plaatsen.

Een heel andere lezing is, dat de kast bij de reformatie, toen 1596-1597 de Zeddamse kerk protestant werd, door boeren werd meegenomen en onder het stro verborgen bij een boerderij die verscholen stond in de bossen bij Stokkum, en dat de kast later, toen het weer veilig was, naar de schuurkerk is gebracht.

Bij het laatste transport zouden de beide oorspronkelijke luiken zijn gesneuveld. Om de kast tegen verderf te beschermen werd ze helemaal ingesmeerd met kalk. Zo overleefde zij de Beeldenstorm.

In de oude kerk stond de altaarkast op het laatst voor oud vuil in een hoek. Toen zij bij de afbraak van de kerk naar de pastorie werd gebracht, en de pastoor het geval eens goed nauwkeurig had bestudeerd, besefte hij pas welk een kunstschat dit was. Hij schakelde restaurateurs uit Emmerik in, die de witte verflaag verwijderden en nieuwe luiken maakten, met de afbeelding van de vier evangelisten op de buitenkant (achterkant).

Aan de voorzijde, binnenkant ziet u de vier kerkvaders; van links naar rechts:Hiëronymus + 419; Augustinus + 430; Gregorius de Grote + 604; Ambrosius + 397.





us † 374. Op 1 juli 1895 werd de kast in de vernieuwde kerk geplaatst en trok van heinde en verre bewonderaars. De staat, die het kunstwerk wilde kopen voor het Rijksmuseum in Amsterdam, bood liefst 10.000 gulden, een gigantische som voor die dagen. In 1913 werd al ruim 70.000 geboden. Maar hoewel de kerk tot de oren in de schuld zat, werd het kostbare stuk niet afgestaan. De waarde is dan ook nauwelijks in geld uit te drukken.

Eind zestiger jaren is de altaarkast nog opgeknapt, bij Mares in Maastricht.

Beschrijving van de altaarkast

De altaarkast bestaat uit drie rechthoekige opstaande vakken, het middelste steekt boven de andere uit. Het verhoogde middenstuk is geplaatst op twee kleine vierkante nissen, onder de zijmissen een horizontaal liggende band, waarin blind-tracering. Boven elk van de grote vakken is aan beide zijden een holle lijst, een keel, aangebracht (kenmerkend voor de Antwerpse altaren), die in het middelste vak bovenaan overgaat in een rondboog en in beide zijden flauwe spitsbogen vormen. Zo ontstaan portalen, waarvan de kelen telkens twee boven elkaar staande apostelen dragen. Deze staan op kleine consoles en worden van elkaar gescheiden door halve, zeszijdige, gedeeltelijk achter traceerwerk verborgen, pinakels.

In het grote middenvak is de Calvarie in drie plans opgebouwd.

Op de voorgrond, geheel links, Sint Jan, de in zwijm vallende Moedermaagd ondersteunend, en de twee Maria’s, van wie één zich de tranen droogt en Maria Magdalena weemoedig de handen wringt. De laatste wordt gevolgd door de met jodenmuts getooide Nicodemus.

Achter deze figuren bevindt zich een steil oplopend landschap, gedeeltelijk gevormd uit overhangende rotsen. Hierop staan twee naar elkaar toegekeerde ruiters, van wie de linker de blinde Longinus voorstelt, die op zijn blindheid wijst door een vinger op een oog te houden, in de rechterhand heeft hij een lans. De geharnaste, tegenover hem geplaatste ruiter, draagt eveneens een lans (deze is een onduidelijke restauratie van de stok waarop de spons met azijn). Op de achtergrond nog twee soldaten, van wie één met een hellebaard bewapend is.



Op het derde plan is de gekruisigde Christus tussen de beide moordenaars op conventionele wijze afgebeeld. Beiden hangen met een opgetrokken knie aan het kruis, waarvan één voor en één achter een ruiter is geplant.

Links en rechts achter deze groep zijn overhangende rotsen met bouwwerkjes aangebracht, waarboven twee vensterachtige traceringen, hiertussen bevindt zich een soort nis. Op naïeve wijze is hierin een boom met de daaraan hangende Judas weergegeven op het moment, dat zijn ziel in de gedaante van een kind zijn lichaam verlaat en door de duivel begerig wordt ingepikt. De hele compositie wordt overkoepeld door een laaghangend gewelf, dat gedeeltelijk schuilgaat achter opengewerkte tracering.

In het linkervlak, waarin zich de kruisdraging bevindt, strompelt Christus met het kruis op de schouder aan de voorrand van het podium. Hij wordt bijgestaan door de achter Hem aankomende Simon van Cyrene en aangezet door een achteruitlopende soldaat, getooid met een fantasiehelm en kromzwaard, allen zijn geplaatst in één vak.

Achter deze groep en vóór het steil oprijzend rotslandschap, met links de stadspoort van Jeruzalem, bevinden zich drie figuren: een soldaat met een opgeheven knuppel, een dito figuur in harnas met een spottend gelaat, die Christus aan een touw houdt en tussen hen, iets meer naar achteren, een farizeeër. Evenals bij het middenstuk overhuift ook hier open tracering het tafereel. De beide apostelen in de keel schijnen met deze meegegroeid.



In het onderste zijvak (hieronder) : de bewening, zit Maria in het midden. Zij heeft beide armen naar het ontzielde lichaam van haar Zoon uitgestrekt, dat door Jozef van Arimathea en Nicodemus wordt gedragen. Achter haar staat beschermend Sint Jan, gevolgd door Maria Magdalena, die haar tranen droogt. Tussen deze twee is de derde Maria gedeeltelijk waarneembaar; zij houdt de doornenkroon.

In het midden: vóór het rotslandschap met bergweides en bomen, staat het lege kruis. Gelijk aan het linkervlak, ook hier vier apostelen in open gotisch traceerwerk.

In de beide vierkante nissen onder de Calvarie zijn op naïeve wijze de Boodschap van de engel en de geboorte van het Kind afgebeeld.

In het linker-tafereel zit Maria voor haar sponde (iconografisch weinig voorkomend) over een boek te peinzen, tegenover de aanzwevende engel Gabriël. Deze schijnt haar toe te spreken en wijst met de rechterhand omhoog, de linker draagt een (moderne) herautenstaf.

In de rechter-nis een eenvoudige stal, waarin Maria als een boerenmeisje knielt voor het naakte kind, dat op een slip van haar mantel ligt. Tegenover haar knielt Jozef met een kaars. Op de achtergrond zien over de kribbe os en ezel toe.

Beide nissen worden afgesloten door een open boog-tracering. De blind-traceringen in de zijvakken en in de onder de nissen geplaatste vakken zijn gedeeltelijk van modern verguldsel voorzien




Beelden hieronder voor meer informatie over het passieretabel in de Oswalduskerk





Het orgel is in 1843 gebouwd door de Emmerikse orgelbouwer Nolting, die veel opdrachten vanuit Nederland kreeg. Het heeft nog in de oude kerk van vóór 1890 gestaan. In de twintiger jaren is de windvoorziening elektrisch gemaakt. Het orgel onderging diverse restauraties, waarbij ook aan de tonen werd gesleuteld. Bij de kerkrestauratie van 1969 werd de orgelgalerij gesloopt en kwam het orgel vóór in de kerk te staan. Toen is ook weer een restauratie uitgevoerd, onder toezicht van de Katholieke Orgelraad en Monumentenzorg. Het bleef een waardevol cultuurmonument.

Bij het orgel: het beeld van St. Caecilia, patrones van de kerkmuziek, met palm en orgel in de handen.



Twee op doek geschilderde afbeeldingen in het priesterkoor.

Links van het orgel de voorstelling van het laatste avondmaal. Let op het detail dat Judas, geheel rechts, geen aureool (lichtkrans) heeft.

Rechts naast ’t orgel: de bruiloft van Kana. De vaten zijn gevuld met wijn. Met de bloemenkransen om de hoofden van bruid en bruidegom.



De doopvont, neogothiek van stijl, gemaakt van zandsteen, voorzien van een koperen deksel. Het geheel is 155 cm hoog en achtkantig. In de rechthoeken op de vont zitten bladversieringen. Op het deksel staat (in het Latijn) de tekst van Ezechiël 36:25: “Dan zal Ik u besprenkelen met zuiver water; dan zult ge gereinigd worden van al uw vlekken”.

Bij de volgende pagina: Vóór de doopvont vier beeldjes, gepolychromeerd lindehout, afkomstig uit een voormalige communiebank. De vier hebben de voornamen van enkele begunstigers van de kerk.

Geheel links de H. Alberta dan de H. Henricus in het midden een neogothisch kruisbeeld de H. Antonius de H. Wilhelmina




Beeld van de H. Oswaldus, de kerkpatroon, in de doopkapel. Oswald was koning van Northumberland (N. Engeland), met het zwaard afgebeeld, omdat hij met geweld het Christendom bracht in N. Engeland. De raaf in zijn hand komt uit een middenduitse sage (1170), waarin verteld wordt hoe St. Oswald een raaf zendt naar Pamige, de dochter van de heidenkoning Aron, met het verzoek om met hem te trouwen. Het beeld is van gepolychromeerd gips.

Bronzen klok, die geluid wordt bij het begin en het eind van de dienst.


Oud altaarmissaal dat gebruikt werd vóór ’t Vaticaans Concilie (1960).

Eikehouten credenstafel, neogothiek, mooi gebeeldhouwd. Op de voorkant: God de Vader met wereldbol en kruis, tussen twee gevleugelde engelen of satyrs, die op een bezuin blazen, aan een zijkant Christus met doorboord hart, waaruit bloed vloeit op een schotel. Rondom engelen of satyrs, die passiewerktuigen dragen. Aan de andere zijkant de geestesduif temidden van gevleugelde engelen of satyrs die orgel spelen of in een boek lezen. Daaromheen loof- en bandwerk en omgekrulde acanthusbladeren. De tafel komt uit de oude kerk, plm. 1870.


Kruiswegstaties Jezus valt onder het kruis. Vervaardigd rond 1850, vermoedelijk ook uit de oude kerk afkomstig.

Jezus sterft aan het kruis.


(Afbeelding van Jezus aan het kruis met omstanders)


De oude Godslamp uit plm. 1892, met heiligenfiguren op de zes hoeken.

Kerkramen

Raam, achter in de kerk links, geschonken door het St. Oswaldusgilde van Zeddam. De afbeelding van Sint Oswald met de tekst: “Bewaar ons geloof”.

Raam rechts achterin: afbeelding van Sint Christoffel met het Kind op zijn schouders en de tekst “Bescherm ons en onze kinderen”.




Beeltenis van Maria van Altijddurende Bijstand, oosterse ikoonafbeelding, met brons omlijst.

In het portaal Drie zandstenen reliëfs, afkomstig van de oude communiebank, voorstellende:

Links: Jezus en de apostelen bij de wonderbare visvangst op het meer van Galilea

Midden: Jezus op 12-jarige leeftijd in de tempel temidden van de Joodse schriftgeleerden.

Rechts: Maria en de apostelen op het pinksterfeest in Jeruzalem.



Oud uurwerk

Dit is in 1982 uit de kerktoren gehaald en opgeknapt, waarbij de vitrine er omheen is gemaakt door de firma Varwijk uit Zeddam. Het gaaf koperen uurwerk dateert uit 1906 en is uit Duitsland. Het stond op de 18 meter hoge eerste torenverdieping.

Er zat een houten kast omheen, waar in de loop der jaren met potloodjes allerlei namen en bijzonderheden zijn genoteerd door mensen die in de toren waren. Deze opschriften zijn bij de verplaatsing van het uurwerk uitgezaagd en zijn nu vóór in de vitrine nog te lezen, o.a. over het weghalen van de kerkklokken door de Duitsers in de Tweede Wereldoorlog.

De foto toont het uurwerk toen het nog in de toren stond.




Triumfkruis

In de kerkruimte hangt een groot kruisbeeld. Het triomfkruis, dat zo’n vier meter hoog is. De figuren zijn zo’n 1,20 meter hoog.

Naast het crucifix staan Maria en Johannes. Aan de uiteinden van de balken de symbolen van de vier evangelisten. De gesneden figuren van eikenhout dateren van rond 1500-1525 en komen uit een Nederrijnse school. Het houten kruis zelf is uit ’n latere periode. De kruisgroep is in 1967-1968 van een valse verflaag ontdaan door de kunstenaar J. Mares uit Maastricht. Hij heeft ook het Mariabeeld verbeterd.

De volgende voorwerpen zijn niet permanent te bezichtigen.

Kruisbeeld in de sacristie: ongeveer 66 cm. hoog, het kruis van ebbehout met een corpus van ivoor en een geprofileerde voet met bolpootjes. Een zeer oud stuk.





Linker pagina:

Kelk van pastoor Herman Platencamp 1940 en neogotische collecteschaal uit de oude kerk, plm. 1880, met het opschrift: “Geeft en u zal gegeven worden”.

Rechter pagina:

Links: Verguld zilveren kelken uit 1937, met de inscriptie van pastoor L. Braam. Midden: kelk uit 1905, met het inschrijft Bernardus Leijzer/Wilh. Elfrink. Rechts: kelk van pastoor Wilh. Willems 1905.


Kasuifel (rood) met de afbeelding van St. Oswaldus, als bisschop gekleed, van plm. 1930.


Enkele Bronnen

1150-1975 Parochie Zeddam, Fr. Smit en A. Helmes. Bergh, Heren, Land en Volk, A.G. van Dalen, 1979, Thoben Nijmegen. De toren- en rosmolen van Zeddam, A.G. van Dalen, Walburg Pers Zutphen. Langs oude Gelderse kerken, drs. G. Hoekstra, Bosch en Keuning Baarn, 1973 Graafschapbode 4-1-1983: Op Nieuwjaarsdag 1810 kregen de Zeddamse katholieken de kerk terug. Graafschapbode 13-3-1981: Eeuwen tekenen zich af in de Zeddamse kerktorens. Parochie-archief St. Oswalduskerk: Memoriale Parochie de Zeddam Artikelenserie Kl. Sybranda, Graafschapbode. Artikelen kapelaan Akkerman in De Kerklijst voor Bergh. Katholieken en gereformeerden rondom de Sint Oswald te Zeddam, J.H. Breuking Herwen, Jaarboek Achterhoek en Liemers 1985. Gelderse Historie in de Liemers, A.G. van Dalen, Walburg Pers 1971. Gilden en schutterijen in de Graafschap Bergh, A.G. van Dalen, Walburg Pers 1971. Old Ni-js, uitg. van de Heemkundekring Bergh, div. jaargangen. De Altaarkast te Zeddam, Jaap Leeuwenberg in: De Liemers, Gedenkboek Dr. J.H. van Heek, uitg. gebr. Leonards, Didam, 1953. Kruisgroep in Oswalduskerk te Zeddam weer geplaatst, Graafschapbode, 8 juni 1968.




























Reacties

Populaire posts van deze blog

Vooral Uit het Boek rondom boven dorp en onder dorp Zeddam

Online boek '' Zeddam ''

De Toren en Rosmolen van Zeddam , Door A.G van Daalen geschreven (Ingekleurde foto's erbij)