De Toren en Rosmolen van Zeddam , Door A.G van Daalen geschreven (Ingekleurde foto's erbij)




Een illusie armer, een andere rijker

In de oude vervallen schuur, die tegenwoordig als rosmolen in zijn oude glorie is gerestaureerd, meende wijlen K.L. Sijbranda op basis van teksten in een dossier uit de jaren 1749 tot 1753 de in 1749 verlaten schuurkerk van de katholieken in Zeddam te herkennen (Graafschapbode, 3 mei 1961). De schrijver van dit artikel achtte die veronderstelling alleszins aannemelijk (Graafschapbode, 28 juli 1970).

De afmetingen die in het betreffende dossier (A.H.B. inv.nr. 1998) van het kerkhuis worden genoemd – namelijk 47 bij 30 voet – bleken echter niet overeen te komen met die van de oude schuur. Dat wekte twijfel en leidde tot nader onderzoek.


Men wilde weten of men daadwerkelijk een rosmolen restaureerde, dan wel een voormalig rosmolen-kerkhuis. Dit onderzoek leidde tot de volgende bevindingen:

  1. Uit de beschrijving van het oude kerkhuis door pastoor Werneri van Zeddam, gedateerd 1749, blijkt dat het oude kerkhuis – samen met de daarbij behorende woning van de rooms-katholieke priester – aan de westzijde van het dorp Zeddam lag. Volgens pastoor Werneri stond het kerkhuis met twee zijden direct aan de weg, en wel zo dicht op de weg dat er op die plek geen doorgang mogelijk was voor twee wagens tegelijk (zie kaartje nr. 76-77). Het kerkhuis verkeerde indertijd in zeer slechte.

Met de Pastorie, Omstreeks 1749 werd de pastorie verkocht voor nog geen 200 gulden. Van de oude pastorie werden twee gewone woningen gemaakt en van het kerkgebouw zelf werd één woning gecreëerd. De rooms-katholieken hadden inmiddels aan de oostkant van het dorp Zeddam een nieuw kerkgebouw met pastorie laten bouwen.

  1. Uit onderzoek van de heer B.D. Herfkens naar de bewoning van huizen in Zeddam vóór 1820 blijkt dat het huis met nummer 76 in 1754 werd verkocht als “het oude kerkhuis”. Daarbij wordt ook vermeld dat hier in 1722 pastoor Godefridus Franciscus Wanners woonde.

Het gaat hier dus duidelijk om het pastoorshuis dat direct bij de kerk lag.



  1. In 1722 wilde Jan Schuurman op de Rosmölleroer höfkes een huis bouwen met nummer 74. Hij was al begonnen met de bouw, maar mocht niet verdergaan, ondanks dat zijn naaste buren akkoord gingen met het plan. Een van die buren was pastoor Wanners. Later kreeg Schuurman alsnog toestemming van de gravin, die eigenaresse was van zowel de grond als de rosmolen (nummer 75).
  2. Uit de pachtadministratie van de rosmolen en de torenmolen blijkt dat deze twee molens regelmatig samen werden verpacht, tot en met 1866. In dat jaar werd de rosmolen verkocht. Er werden doorlopend reparaties aan de rosmolen uitgevoerd. Dit maakt duidelijk dat het gebouw met nummer 75 altijd als rosmolen in gebruik is gebleven en dus nooit als schuurkerk heeft gefungeerd.

Uit het voorgaande blijkt dan ook dat het rosmolengebouw altijd heeft gediend als onderkomen voor de rosmolen zelf. De schuurkerk – hoewel die er zeer dichtbij stond – is er nooit in gevestigd geweest. Wel lag de schuurkerk mét de bijbehorende pastoorswoning op de percelen 76 en 77 van het kaartje. Deze situatie is nog duidelijker te zien op de schets die de ligging in de 18e eeuw weergeeft.De oudste berichten

Item die molen ten Berge in tot Zeddam IIIIc ind VIII – d.i. 1408 – malder”, ²/₃ rogge, ¹/₃ gerst, zo luidt een post in de boekhouding van de „bouwmeester” van het Huis Bergh in het boekjaar lopend van Sint-Maarten 1441 – d.i. 11 november – tot dezelfde feestdag in het daaropvolgende jaar.¹) De molens te ’s-Heerenberg en Zeddam behoorden dus tot de particuliere bezittingen van de heren – sinds 1486 graven – van den Bergh. Namens hen werden ze verpacht, zoals uit latere gegevens blijkt, eens in de drie jaar bij publieke verpachting aan de meest biedende. Zij waren de houders van het wind- en maalrecht in het gebied van ’s-Heerenberg en Zeddam, d.w.z. dat zij alleen gerechtigd waren molens te houden en te vestigen, terwijl alle ingezetenen van deze beide plaatsen en hun onderhorige buurschappen – t.w. Stokkum, Lengel, Azewijn, Braamt, Kilder en Wijnbergen – verplicht waren hun graan daar te (laten) malen.

Hoe oud de beide molens in 1441 al waren, is niet na te gaan, omdat vroegere gegevens hieromtrent niet bewaard zijn gebleven.

De pacht werd in natura vastgesteld, geregeld ²/₃ rogge en ¹/₃ gerst, soms ook enige mudden tarwe of tarwe. Zo in 1442-1443, toen ze gesteld was op 187 malder rogge, 123 malder gerst en nog 10 malder tarwe.²) Tarwe gold als dubbel zo veel waard als rogge, zodat in dit jaar een nog hogere pacht werd geboden dan drie jaar eerder. Die hoogte is nadien nooit meer bereikt.

Rogge werd verreweg het meest aangebouwd. Het was een graansoort die op minder zware grond en met lichtere bemesting tot betere productie leidde dan tarwe. Bovendien werd roggebrood om zijn hoge calorische waarde het meest gegeten.

Gerst werd eveneens veel verbouwd, doch kwam minder op de molen, omdat het meeste ervoor gebruikt werd om bier te brouwen, de dagelijkse drank toen thee en koffie nog onbekend waren.

Er is echter nog wel iets meer achtergrondinformatie in de dorre notities van de boekhouding. Vóór „die molenbrant” zo noteert de Berghse boekhouder was aan pacht 50 malder rogge en 90 mal-der gerst ontfangen, „ind nadathat die molen ten Berge verbrant

was, ontfangen van de knaep – d.i. knecht – van den molen to Zedam 21 malder en 2½ schepel rogge en 23 malder gerst. Katryn des mollers wyff” gaf nog 6 malder weit. Van de verplichte 408 malder was dus slechts 184 malder betaald plus nog wat tarwe. De oorzaak daarvan is duidelijk, doch de mededeling vertelt tegelijk, dat de molen te Zeddam slechts een nevenbedrijf van die te ’s-Heerenberg was, waarop een knecht de zaken verzorgde.

De torenmolen

Bij akte van 5 oct. 1451 kende Willem, heer van den Bergh, aan het door hem gestichte Sint Gertrudisgasthuis in de Kellenstraat te ’s-Heerenberg een rente toe van één malder rogge en één malder gerst uit elk van zijn molens te ’s-Heerenberg, Zeddam, Didam en Gendringen.³) Daar zou men uit op kunnen maken, dat de molen te Zeddam als een volwaardig bedrijf werd beschouwd. Maar de Berghse rentmeester, Theodorus Pey, noteert in z’n boekhouding van 1453-1454 omtrent het Vogelzangsgood onder Groot-Azewijn: „Dair leget een kempke totten gude gehorende, dair den Mollen- toren t’ Zedem uyt getichelt is”.⁴) Pachtsters van het goed waren Johan van Raeffeler en Evert Flogell, die dit stukje land klaar- blijkelijk afgestaan hadden aan Johan de Voss. Hij hoefde er één jaar niets voor te betalen „umb weder to lande to komen,” alzo om het weer tot bouwland om te wroeten, terwijl hij daarna nog vier jaar korting genoot.

In 1456-1457 gewaagt Pey nog van de „tychler” – d.i. steen- bakker – die 4 malder gerst kreeg als voorschot op z’n betaling.⁵) In deze jaren is dus de stenen molen te Zeddam gebouwd, natuur- lijk in plaats van een andere vermoedelijk een planken standaard- molen. Om technische redenen gaf men aan de sterke torenvorm – die ook nog bij de z.g. Buitenmolen te Zevenaar is te zien – de voorkeur boven het model van de afgeknotte kegel.

De benodigde klei is dus uitgegraven in het „Kempke” bij het Vogelzangsgood terwijl de „tychler” de stenen ter plaatse bakte in een veldoventje, dat later weer werd opgeruimd.

Natuurlijk kon zo een bouwwerk jarenlang duren, doch aangezien er bij de weinige steenbouw, die er toegepast werd, geen steen- industrie van enige betekenis bestond, was dit de gewone wijze van doen, waar men dichtbij over klei beschikte.

Minderende pachtwaarde

De rekening van 1525-1526 vermeldt voor de molens te ’s-Heerenberg en Zeddam 335 malder aan pacht. Arnt en Zweer Herms moesten in 1540-1541 nog 287 malder leveren. Doch in 1544-1545 leest men: „Sweder Moller hefft dat gemaell ten Berge ind tho Sedam, sunder kersbarnen drie jair na den andere duerende jaerlix vur IIc – d.i. 200 – malder korns, die twee deell – d.i. ⅔ – gueden, klaeren, droegen rogge dat derde deell guet gerstenmalt.” Hij kreeg dit jaar ook nog 25% korting, overigens geen ongewone verschijnsel, wanneer b.v. een der molens gedurende lange tijd stil had gelegen, omdat er reparaties aan verricht moesten worden.

Er valt een aanzienlijke daling in pachtwaarde sinds 1441 te constateren. Natuurlijk moet dit geweten worden aan een minderend aanbod van koren, dat om te malen werd gebracht. Met andere woorden: het areaal aan graanbouw moet zijn afgenomen. Misschien is de bevolkingsgroei, die in de vijftiende en eerste helft der zestiende eeuw zich voordeed, er debet aan. Het platteland leed aan een betrekkelijke overbevolking, aangezien met de toen aanwezige middelen het cultuurareaal niet uitgebreid, noch de productiviteit vermeerderd kon worden. Bestaansmogelijkheden buiten de landbouw waren er nauwelijks, zodat op een gelijkblijvend areaal een toenemend aantal mensen moest leven. Dit leidde tot steeds verder gaande deling en splitsing van boerengoederen en landerijen met vorming van een groot getal minimale bedrijfjes. Dit kan de graanbouw, kenmerkend voor grote bedrijven, hebben doen verminderen, omdat er veel meer grond gebruikt werd ter voorziening in eigen consumptieve en andere levensbehoeften.

Hoe het zij: de 200 malder van Zweder Molner is toch een dieptepunt. Hij had de pacht verkregen „sunder kersbarnen”, d.w.z. onderhands en niet bij publieke verpachting. Eventuele verkopingen geschiedden dit n.l. bij een brandende kaars, die gedoofd werd, als er na een slag niet meer werd geboden.

Zijn 25% korting had ook z’n reden.

De rosmolen

De rekening van 1544-1545 zegt nog: „Item soe dan gein rossmoell nog in dat jair gemaickt was, dat virde deell – also 25% van de pacht


As en tandrad in de kap van de Torenmolen


Enkele keren per jaar wordt er nog op paardenkracht gedraaid , zoals hieronder in de video te zien is




De gerestaureerde Rosmolen
Hieronder een oudbeeld en foto van de rosmolen en restauratie

„affgetagen.” De notitie wordt het jaar daarop herhaald. „Als de windt nyt soe veel en weydt – d.i. waait – dat de gemeente gerieven kan worden,” zeggen steevast de 17e en 18e eeuwsche pachtcontrac- ten, „sal de Meuler op de rossmeulen passen undt maelen, doch sullen degene soe hairen grain gemalen willen hebben selffs de peerden dairtho verschaffen.”¹¹)

Zo’n rosmon was er te Zeddam niet, doch men had Zweder toe- gezegd er een te bouwen. Omdat het niet geschied was, kreeg hij korting.

De boekhouding van 1546-1547 vertelt, dat Henrick Moelner de molen te ’s Heerenberg voor drie jaar had gepacht tegen 100 mal- der per jaar. Coen Moelner bezat de pacht van die te Zeddam voor 125 malder.¹²) Van dan af worden de beide molens afzonder- lijk verpacht, m.a.w. die te Zeddam is geen filiaal meer maar een zelfstandig geoutilleerd bedrijf. De rosmolen is in 1546 gebouwd.

Verwoesting

Evert Heynen is in het boekjaar 1565-1566 voorlopig de laatste die als pachter van het gemaal te Zeddam wordt vermeld. Z’n pacht was 135 malder, nog altijd ²/₃ rogge, ¹/₃ gerst.¹³) Tot 1577 is er dan een hiaat, waarna er weer rekeningen zijn tot 1580. Hier- na wordt de molen te Zeddam pas weer genoemd in 1601. Graaf Willem van den Bergh was in 1568 heengegaan, op de vlucht voor Alva. Hij keerde in 1577 in z’n graafschap terug, toen alle Neder- landen zich bij de bekende Pacificatie van Gent hadden aangesloten in verzet tegen de Spaanse tyrannie. Ieder werd in z’n rechten hersteld en enige jaren van betrekkelijke rust waren er het gevolg van. Niet lang want van 1580 vormden deze contreien het terrein van een jarenlange stellingen-oorlog tussen Spaanse en Staten troepen. Een land van verschroeide aarde, volkomen uit- gemergeld en verwilderd, leeg en verlaten, omdat de bevolking uitweek naar de omgevende steden, Doetinchem, Emmerik, Zeve- naar. In 1598 schrijft de gravin van den Bergh over de bevolking van Zeddam, die zich met anderen weer in het dorp vestigt.¹⁴)

De veroveringen die prins Maurits hadden hier weer herstel ge- bracht. Moeilijk en moeizaam nog. Claes Kniest tho Vethusen, Willem Kaeltiens (= Keultjes), Willem Overgoor en tal van andere pachters van het Huis Bergh brengen in 1595-1596 nog niets of maar enkele schepels aan pacht op, terwijl de molenaar te ’s Heerenberg slechts 1½ malder kon leveren, alles „om den verderf will,” d.w.z. vanwege hun in de oorlog verwoeste huizen en verwilderde landerijen.¹⁵)

Herstel

De molenaar „gifft van der Windt – ind Rossmoellen tott Sedam jaerlicks thoe pacht twintich mlr rogge, acht mlr gerst und dry mlr bueckweit. Noch gifft die vorss. Moelenmeester van thoebaete eyn vet vercken. Noch oft XV daler vorss. Moelenmeester broet (= brood of blok) weyten (= witte) zuycker van 10 pont, eyn pont pepers, eyn pont beyenwas.”¹⁶ Dat was de molenpacht in het jaar 1601. De traditionele betaling van pacht in graan neemt nog maar een bescheiden plaats in. Er is blijkbaar van de lange onderbreking gebruik gemaakt om een eind te maken aan een systeem, dat z’n tijd al lang had overleefd en eigenlijk dateerde uit veel vroegere eeuwen, toen bij gebrek aan geldcirculatie vergoeding in natura de gewone manier van doen was. Men ging over tot levering van zaken, die men op het kasteel beter kon gebruiken: een vet varken, schoon aan de haak voor de winterprovisie en was voor ’t maken van kaarsen. Het varken kon men met 15 daalder of f 22,50 afdoen, niet zo gering als het ons lijkt, aangezien er 40 à 45 daglonen van een vakman in zaten. En verder waren er dan nog peper en suiker, artikelen uit „de Indiëën”, kostbaar, omdat de directe handel der Nederlanders met deze landen nog pas schuchter was begonnen, zodat ze via de omwegen van tussenhandel op de Levant ons land bereikten. „Peperduur”.

Hoge pachten

Als in 1675 buiten de nog gehandhaafde levering van een vet varken, de pacht in geld blijkt te zijn omgezet, betaalt Rutger te Laeck voor de Zeddamse wind- en rosmolen 500 daalders ofwel 750 gulden per jaar, een zeer hoog bedrag als men nagaat, dat het dagloon van een arbeider 8 tot 10 stuiver was en dat van een baas 12 tot 14 stuiver. Er gingen ettelijke jaarlijkse inkomsten in zo’n pachtsom. Niettemin zullen de molenaars er wel een inkomen bij hebben overgehouden. Ze zouden anders elkaar niet zo hebben opgedreven. De bedragen zullen in waarde ook wel hebben gecorrespondeerd met de vroegere leveringen in natura.

Bij de verpachting van 1699 was Mattis Plasman nog iets hogergegaan, n.l. 513 daalder plus de levering van 200 pond „groen” – d.i. vers – spek, een toegift, die klaarblijkelijk in de plaats van een varken was gekomen. Toen in 1708 zijn weduwe niet meer bood dan 380 daalder, werd de verpachting aangehouden. Zij moest tot 450 daalder gaan, om de molen te kunnen behouden. Oswald Limbeek had met een bod van 550 daalder in 1711 de slag. Blijkbaar was het hem te gortig, want hij deed in 1712 de pacht over aan Cornelis van Heumen. Die pachtte in 1721 weer voor niet minder dan 545 z.g. pachtdaalders, die op 32 stuivers werden gerekend, alzo 872 gulden, plus natuurlijk de toegift, die in dit geval slechts op een vierde deel van een varken werd gehouden.¹⁷) Wessel Buss,

pachtte ondanks de hoge som in 1736 opnieuw. „Ende het koren daarvan komende tot nutte van Sijn Excell. – d.i. de vorst van Hohenzollern als graaf van den Bergh – verkoft,” luidde het.¹⁸) Alzo: de molenaar werd door zijn clientèle nog altijd beloond met zijn aandeel in het graan en moest door meelverkoop aan geld komen. Op het kasteel was men op betaling in natura niet meer gesteld, sinds overal te lande handel en marktleven zich ontwikkeld hadden en daardoor een omvangrijker geldcirculatie was ontstaan.

Wessel Buss schijnt het bij een nieuwe verpachting toch te hoog te zijn gelopen. Aerent Stell heeft althans zijn plaats ingenomen. Maar in 1745 pachtte hij toch opnieuw voor de som van 460 pachtdaalders, zijnde 736 gulden.¹⁹) Zijn voorganger was zelfs tot 572 pachtdaalders gegaan – 915 gulden – maar dat schijnt diens weduwe toch te bar te zijn geweest.²⁰) Tezelfder tijd was het Vogelzangsgoed te Azewijn verpacht voor 152 gulden plus 9 vadem turf, of een gulden per vadem. Het Rouwgoed aldaar deed 137 gulden met 12 vadem turf, het Ooyboomsgood 145 gulden met 12 vadem.²¹)

Al waren deze steenen nog bij lange na niet de grote boerenbedrijven van later, zij behoorden toch tot de belangrijkste Berghse pachthoeven. Een molen echter, zwaar stenen gebouw, vertegenwoordigde met de inventaris een hoge waarde. Die van Zeddam werd in 1824 op 6000 gulden geschat, terwijl het huis op Vogelzangsgoed op 2200 werd getaxeerd en het enorme complex van het kasteel Bergh op 20.000 gulden.²²) Daarbij was de inventaris samen met die van de rosmolen ook nog wel 1500 à 2000 gulden waard.

Voor het onderhoud van heel dit waardevolle goed had de molenaar geen zorg, aangezien dit op enkele kleinigheden na, voor rekening van de pachtheer was. Eigenlijk had hij heel geen bedrijfsrisico, omdat hij immers zonder enige concurrentie van de klankdizie van heel de bevolking was verzekerd. Dit verklaart wel

Foto hieronder Het Interieur van de torenmolen (Kapzolder)



Een wat recentere filmpje hieronder van






de bereidheid de hoge pachtsommen neer te tellen.

Waar ze konden knabbelden ze wat af. In 1769 werden de pachters te ’s Heerenberg, Zeddam en Didam vermaand, omdat ze er een gewoonte van hadden gemaakt, in plaats van 200 pond spek een vet varken te leveren. Dit werd dan wel toegestaan, doch dan moest er wel voor elke 100 pond spek 115 pond varkensvlees worden gegeven „zijnde de overige vijftien pond varkensvlees haakesschoon gerekend voor de knokken en botter, die in het spek niet en syn.”²³)

Veranderde tijden

Jacob Sloot betaalde voor het Zeddamse gemaal in 1797-1798 nog 968 gulden aan pacht.²⁴) Maar in 1823 kreeg Gradus Pierik, mole- naarsknecht het voor 448 gulden.²⁵) Sloot, die in 1817 overleed had de veranderingen meegemaakt, de Franse Revolutie die in 1795 over ons land was gekomen en het tot een parlementaire demo- cratie, de Bataafse Republiek genoemd, had omgevormd. Toen het in 1806 door Napoleon geschapen koninkrijk Holland, satel- lietstaat van Frankrijk, daarna de inlijving bij Frankrijk in 1810 en tenslotte in 1813 de bevrijding. De groote staatkundige veranderingen hadden de afschaffing van de heerlijkke rechten opgeleverd. Wel waren er eenige na de bevrijding hersteld doch daar was de molendwang niet bij. De menschen konden laten malen, waar ze wilden en ieder was vrij een molen te vestigen, waar het hem goed dacht. Dat deed de pachtwaarde van de Zeddamse molen tot op minder dan de helft dalen. Maar dat was voor die tijd toch nog altijd een aanzienlijke som, een pacht, die waard was de molen in stand te houden. In de jaren 1834 tot 1839 heeft men dan ook aan de rosmolen nog omvangrijke reparaties verricht. De houten wanden werden met zware eiken planken, 2½ duim dik, hersteld. De funderingen ervan opnieuw gemetseld, deuren en vensters aan de voorzijde hernieuwd en de dakbedekking weer in orde gemaakt. De constructie was zwak, oordeelde men „daar dit gebouw slechts op vier gebintstijlen rust, welke 9½1 duim uit elkanderen staan” en „op deze ongeschikte lengte niet de minste stutting of rusting hebben.” Daarom waren „de gebintplaten naar binnen toe gebogen.”²⁶)

Maar in 1856 had Gradus Pierik er genoeg van. Hij zei het pachtcontract op, omdat er behalve de reeds bestaande molen te Azewijn er nog een te Kilder was gevestigd. De pachters van het Huis Bergh, die bij contract verplicht waren op de oude molen te doen malen, lapten die bepaling aan hun laars.²⁷)

Pieriks stiefzoon Thijs Herfkens nam niettemin de pacht over maar vond het toch ook welletjes, toen in 1861 te Stokum de molen van Wintering zou komen. Met de rosmolen was het al lang geen concurreren meer tegen anderen, die reeds stoomkracht toepasten. Die kostte hem meer dan hij opbracht. De Berghse administrateur, baron Godin, kreeg tenslotte uit Sigmaringen opdracht het cavaltje te verkopen. Voor 231 gulden werd Herfkens er eigenaar van, waarmee de oude rosmolen tot schuur was gedegradeerd.

Roemloos ten onder

De windmolen draaide door. De pacht is veel te hoog beweerde Thijs Herfkens in 1869, nu het „stoommeel” meer en meer in gebruik komt. Hoger als 225 gulden wilde hij niet gaan. Maar toen het er op aan kwam betaalde hij 251 gulden, terwijl hij in 1875, toen administrateur Grimm de molen wenste te verkopen,bood tot 4300 gulden. Grimm echter hield vast aan de vastgestelde

5000 gulden, overtuigd, dat ook hier de pachter wel zwichten zou.²⁸) Hij had tal van Berghse bezittingen tegen hoge prijzen verkocht, gebruik makend van een een hoog-conjunctuur in onze landbouw. Hier evenwel ging de koop niet door, maar wel, zoo blijkt in 1882, was de pacht verhoogd tot f 277,80. Herfkens klaagde blijkbaar met gezonde botten. Met z’n meelhandel, bakke- rij en café zal hij de molen nog best hebben kunnen runnen.

Op z’n oude dag evenwel werd het hem genoeg. In 1890 deed hij de pacht over aan Herman Gerretschen, molenaar te Elten en geboortig van Herwen, altijd nog tegen een pacht van f 277,80.

Dit eerste jaar had hij het samen met z’n meelhandel en klein land- bouwbedrijf goed kunnen rooien, zoo schreef de nieuwe molenaar in 1893, toen de pachttermijn z’n einde naderde. Maar sinds in 1891 in het beneden-dorp een nieuwe molen was gevestigd – de Volharding – waarvan de eigenaar met kar en paard het koren bij de boeren ophaalde en het meel terug bezorgde, was ook hij ge- noodzaakt geweest zich kar en paard aan te schaffen. De pacht was hem te machtig geworden. Hij kreeg korting voor de jaren 1892 en 1893 terwijl met ingang van 1 januari 1894 de pacht werd gesteld op 150 gulden.²⁹) Met het beëindigen van het zesjarige contract, zei Gerretschen de pacht op. In 1899 werd de molen toen per annonce in „het Nieuws van den Dag” te huur aange- boden. Geen der gegadigden, die zich meldden, ging er echter op in. Gerretschen behield de molen voor 75 gulden ’s jaars.

In 1903 bood hij aan hem voor 1000 gulden te kopen. Geen sprake van, antwoordde de Berghse rentmeester Laurens Meyer, die 2500 gulden eiste. De partijen kwamen op 1500 gulden met elkander over- een. Wel was de waarde van de molen gedevalueerd!

In 1928 werd de molen voor het laatst gebruikt.

Als historische monumenten hersteld

Toen in 1928 Gerretschen reeds de molen voor de sloop had ver- kocht en de afbraak al begonnen was, ontfermde zich dr. Jan Her- man van Heek erover. Hij had in 1912 het Huis Bergh, de bossen en andere bezittingen van de vorst van Hohenzollern–Sigmaringen overgenomen, om ze als historische en natuurmonumenten in stand te houden. Een volledige restauratie herstelde de torenmolen bijde fraaie kerktoren als schoon en markerend beeld in het golvende

landschap om Zeddam.

Bijna „zu schön um wahr zu sein” werd ook de oude rosmolen in ere hersteld. Gewis de schuur had veranderingen ondergaan in stenen muren met pannendak verkregen, doch z’n gedaante was hetzelfde gebleven en de inwendige constructie in wezen bewaard. Zich bewust van z’n roeping het dorpseigene te moeten hand- haven, heeft het Zeddamse Sint Oswaldsgilde het vervallen ge- bouw, goed voor de sloop gered en gesteund met ruime subsidies van „Monumentenzorg” en provincie de oude rosmolen her- bouwd. Zo staat en draait, enig in Gelderland, hier een volledig oud molenbedrijf met wind- en rosmolen.

Hieronder twee foto's van de meelzolder van de torenmolen en de Steenzolder met maalstoel



TECHNISCHE OMSCHRIJVING VAN DE TOREN- EN ROSMOLEN TE ZEDDDAM

De torenmolen en de rosmolen zijn op zeer korte afstand van elkaar gelegen aan de Bovendorpsstraat te Zeddam. Voor zover bekend, is dit de enige plaats in ons land waar een wind- en rosmolen samen nog intact zijn, en er ook op bepaalde tijden mee gemalen wordt.

Beide zijn in 1973-1974 gerestaureerd en vernieuwd.

De torenmolen is voorzien van een nieuw wiekenkruis en het binnenwerk is geheel gerestaureerd. Het rosmolengebouw is vernieuwd en de rosmoleninstallatie opnieuw weer aangebracht met gebruikmaking van gegevens uit het archief van Huis Bergh.

De torenmolen is eigendom van de Stichting Huis Bergh. De rosmolen van het St. Oswaldusgilde van Zeddam, dat de ondergrond in erfpacht ontving van de gemeente Bergh.

De windmolen is een torenmolen-beltmolen. De belthoogte meet ± 3,80 m. De stenen cilindrische molen heeft op de begane grond bij de ingangsdeur onder aan de belt een binnenmaatse diameter van 5,57 m.

Op belthoogte is de binnenmaat 6,05 m en de buitenmaat 9,68 m. Op de bovenzijde muurwerk, onderzijde kap, is de binnenmaat 6,95 m en de buitenmaat 9,96 m, dus 28 cm meer dan op de belthoogte.

De hoogte van het muurwerk tot aan de kap is ± 11,90 m boven de belt. De hoogte van de begane grond/verdiepingsvloer is ± 3,90 m. De eerste verdieping, meelzolder, is 2,50 m; de tweede verdieping, steenzolder, 3,25 m. Hier bevinden zich twee koppels maalstenen, t.w. 1 koppel kunststenen en 1 koppel twee koppels blauwe lavastenen.

De derde verdieping is de lui-zolder. Het luiwerk is een sleepluiwerk. Ook is op deze verdieping in de muur een open vuurhaard.

De vierde verdieping is de kapzolder, bovenkant kruiing 3,10 m, diameter van de kuip is 8,66 m. De ashoogte meet 4,65 m. De molen wordt op deze zolder gekruiwd met twee gaffelwieken met omloop-touwen. Op elke gaffel-as bevindt zich een rondsel dat in het kamwiel grijpt van een tweede as. Een tweede rondsel op deze as grijpt in een houten tandenkrans die op de molenmuur is aangebracht. bracht. Deze tandenkrans bevindt zich op een hoogte van 2,60 m

boven de kapzolder.

De kap is van hout en met dakleer gedekt. Het nieuwe stalen wiekekruis is van het fabrikant Derckx te Beegden, is Oud-Hol- lands opgehekt en heeft een vlucht van 26,40 m. De as is van gietijzer en verlengd met de oude houten as tot een lengte van 7,10 m achter het waterhol. De vang is een trommelvang.

De overbrengingen van het maalwerk zijn als volgt:

aantal kammen aswiel 79 aantal kammen aswiel steek 12,4 cm aantal kammen bonkelaar 41 steek 12,4 cm aantal kammen spoorwiel 89 aantal staven rondsels 27 steek 10 cm

De verhouding is 1:6,3.

In het begin van de negentiende eeuw kreeg de molen de huidige inrichting. Voordien was de kapzolder ook de steenzolder en wer- den de stenen direct door de molenas aangedreven. De onderliggende verdieping was de meelzolder en met een buiten- trap vanaf de belt bereikbaar via de nog bestaande buitendeur. De molen had toen een buitenluiwerk dat toen vervangen is door een binnenluiwerk. De overige verdiepingen die thans aanwezig zijn, was voorheen één holle ruimte, werd niet gebruikt en was niet toegankelijk. Ook de huidige ingang op de begane grond is tegelijk met de verdiepingen aangebracht. De kap was voordien gedekt met de verdiepingen aangebracht. De kap was voordien met houten leien z.g. schaliën. De toegangsweg naar de molen liep vroeger direct onder langs de molenbelt (zie afb. op pag. 3 en 4).

Rosmolen

Het molengebouw heeft buitenwerkse maten van 9,30 m breedte en 13,55 m lengte. De nokhoogte is 6,75 m en is voorzien van een zadeldak gedekt met pannen. Aan de voorzijde is een klein en aan de achterzijde een groot schild aangebracht. De dakconstructie en ook de molenconstructie zijn dragend en bevestigd op twee bok- gebinten. Dit zijn stijlen met dwarsbalken en schoren van eiken- hout. Onderling zijn ze verbonden door de z.g. bovenplaat, welke eveneneens met schoren zijn ondersteund. Verder zijn er langs- en kruisbalken voor versterking van het geheel, alles gemaakt van eikenhout. De verdere dakbedekking bestaat uit sporen en planken van vurenhout.

Het metselwerk is 1-steens muurwerk met op enige plaatsen versterking tot 1½ steen. In de voorgevel zijn drie deuren t.w. een dubbele en twee enkele, z.g. loopdeuren voor dagelijks gebruik.

De vloer bestaat gedeeltelijk uit estriken en het gedeelte onder het grote wiel waar het paard loopt is een lemen vloer afgewerkt met grof zand en geteerd. Het weinige daglicht komt binnen door drie gietijzeren ramen in het dak. De bestaande vorm kreeg het rosmolengebouw na een wijziging die plaats vond nadat in 1866 het oude gebouw aan de toenmalige pachter Herfkens was verkocht.

De nu nog aanwezige fundering met delen van het muurwerk vormden de stenen voet van een houten gebouw met een dak gedekt met stro.

De nog aanwezige gebinten zijn gemaakt van gebinten uit het oude houten gebouw dat eveneens het middelste gedeelte nu een lemen vloer had.

De torenmolen heeft gemalen tot 1928. De rosmolen is in 1866 verkocht.

Het maalwerk van de rosmolen wordt voortbewogen door een paard en is als volgt samengesteld:

Het grote wiel heeft een steekcirkel met een diameter van 7,25 m, de buitendiameter is 7,29 m. Het wiel heeft 340 kommen, elk dik 31 mm. De steek is 6,7 cm. Het rondsel heeft 19 staven en een steekcirkel van 40,9 cm en een buitendiameter van 47 cm. De staven van het rondsel zijn 35 mm dik. Bij een normale gang van een paard, geschat op 5 km per uur, maakt het grote wiel 5 toeren per minuut; de steen 90 toeren per minuut. De diameter van de stenen is 1 meter, de omtreksnelheid van de steen is 282 m per minuut.

De omtreksnelheid bij de torenmolen met een gemiddelde wind en een steendiameter van 1,50 m is 565 m per minuut.

De maalcapaciteit van de windmolen is wel het 10-voudige van de rosmolen.

Het grote wiel is met de koning verbonden door kruisarmen en schuine schoren. De trekboom waaraan het paard loopt is bevestigd aan de koning en het grote wiel en voorzien van een haam-schei waaraan het paard trekt. De koning loopt op een taatspot. en aan de bovenzijde is een stalen tap in een houten neut bevestigd

in dezelfde lagerbalk waarin tevens de bovenspil of staakijzer van de stenen gelagerd is. De stenen zijn blauwe lavastenen en geplaatst op een houten maalstoel. Het storten van het graan geschiedt in een ka via een trapje dat tegen de maalstoel is geplaatst.

Er is een steenkraan voor het verwijderen van de bovensteen bij het scherpen van de stenen.

Het overige deel van het rosmolengebouw zal gebruikt worden voor exposities, o.a. is er de stenenverzameling van wijlen dokter Hoogland, voormalig dierenarts, te Zeddam ondergebracht.

Rest nog te vermelden dat de vernieuwing van het rosmolen- gebouw is geschied onder leiding van architectenbureau Heine- mann te Velp, en onder supervisie van de Rijksdienst voor Monu- mentenzorg en de Vereniging Hollandsche Molen en de Gelderse Molenscommissie.

Restauratie en herbouw van het rosmolengebouw geschiedde door Aannemersbedrijven Tomberg en Varwijk te Zeddam, J. ten Holder, elektriciteit, en Schildersbedrijf Kraaijenvanger. De inrichting van de rosmolen en de algehele restauratie van de torenmolen, binnen- werk en vernieuwing wiekenkruis geschiedde door molenbouwer Becker te Bredevoort.

Gegevens van bovenstaand overzicht werden mede verkregen uit het archief van het Huis Bergh, het Gelders Molenboek, Molen- bouwer Becker te Bredevoort en de heer A.G. v. Dalen te Rheden.

Zeddam, mei 1974.









Reacties

Populaire posts van deze blog

Vooral Uit het Boek rondom boven dorp en onder dorp Zeddam

Online boek '' Zeddam ''

Niemand doet de Mond open (De Bek)